Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015

Concept
Versie 1.0
28 september 2005
Beleidsplan openbare
verlichting 2005 - 2015

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
3

Voorwoord

Voorwoord
“In 1505 werd door de Overheid bevolen dat men des avonds na 9 uur een lantaarn
moest medenemen, want, zoals hunne Edelachtbaren zeiden:
‘lieden die in duisternis slopen, waren niet te vertrouwen’.”
(Uit: ‘De geschiedenis der verlichting van Amsterdam’, G.P. Zahn jr., Amsterdam, 1911)
Amsterdam viert in 2005 500 jaar gemeentelijke zorg voor de openbare verlichting.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
4

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
5

Samenvatting

Samenvatting
De gemeente is verantwoordelijk voor de aanleg en het goed functioneren van de
openbare verlichting.
In 1994 werd het Gemeente Energiebedrijf (GEB) verzelfstandigd; in 1998 echter werden
de activa openbare verlichting door de gemeente Amsterdam teruggekocht en werd de
Dienst IVV aangewezen om de verantwoordelijkheid voor een goed beheer op zich te
nemen. De wijze waarop de afgelopen tien jaar de taken rondom de openbare verlichting
zijn ingevuld wijkt sterk af van de formele bevoegdhedenverdeling zoals die in de
Verordening op de Stadsdelen is opgenomen: in de praktijk worden bijna alle taken op het
gebied van de openbare verlichting verricht door de centrale stad. In 2004 is door alle
betrokkenen vastgesteld dat aan deze situatie, waarbij theorie en praktijk van elkaar
afwijken, moet worden beëindigd. In 2005 wordt een besluit genomen met het doel de
taken, verantwoordelijkheden, bevoegdheden en toekenning van financiële middelen
inzake de openbare verlichting eenduidig te regelen. Het idee is om het in de Verordening
op de Stadsdeelraden genoemde begrip ‘minimum-verlichtingsniveau’ te vervangen door
het begrip ‘basiskwaliteitsniveau openbare verlichting’ waarin worden geregeld:
verlichtingsniveau; masten, lampen en armaturen; ondergronds net, schakeltijden en
energie; beheer en onderhoud.
Het
verlichtingsniveau
is van essentiële betekenis voor het doel van openbare
verlichting: bijdragen aan veiligheid en zichtbaarheid. Het bepalen van het
verlichtingsniveau gebeurt op basis van de functies en de kenmerken van de openbare
ruimte. Voor de openbare verlichting in Amsterdam is de NPR 13201-1 de norm voor de te
hanteren basiskwaliteit van het verlichtingsniveau. Toekomstige aanpassingen van deze
norm worden in beginsel overgenomen. In aanvulling op de NPR wordt het
Politiekeurmerk Veilig Wonen als norm gehanteerd bij de toepassing van het
basiskwaliteitsniveau. Ook van deze norm worden de toekomstige aanpassingen in
beginsel overgenomen.
De normen voor de toe te passen
lichtkleur
bij lampen verschillen per soort gebied:
woon- en verblijfsgebieden, bedrijventerreinen en Hoofdnet Auto, Hoofdnet fiets, parken,
tunnels en viaducten, etc. In woon- en verblijfsgebieden wordt gekozen voor warmwit licht.
Voor Hoofdnet Auto wordt gekozen voor geel licht (mede vanwege de herkenbaarheid).
De overige kleuraanduidingen staan in bijlage 3.
Criteria voor de beoordeling van de kwaliteit van de toe te passen
lampen
zijn rendement
en helder licht met goede kleurherkenning. Verder worden aan lampen milieueisen
gesteld. De ontwikkelingen op het gebied van de technologie van lampen gaan snel. Het
is zaak deze op de voet te volgen. Waar mogelijk worden nieuwe technieken - al dan niet
in de vorm van proefprojecten - toegepast indien deze bijdragen aan verhoging van
rendement, verbetering kleurweergave en vergroting lichtopbrengst.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
6
In de afgelopen decennia heeft niet altijd een zorgvuldige afstemming plaatsgevonden
van de vormgeving van
masten en armaturen
in relatie tot de architectuur en het
stedenbouwkundige karakter van een wijk. Bij de plaatsing van masten en armaturen
werd meestal niet gekeken of deze vanuit het oogpunt van vormgeving wel passend
waren. Dit leidde in een aantal gevallen tot een rommelig en onsamenhangend
straatbeeld. Het Beleidsplan gaat uit van een passend standaardassortiment masten en
armaturen. Hiermee wil de gemeente een bijdrage leveren aan de kwaliteit van de
openbare ruimte. Voorts leidt dit tot een efficiënter beheer en onderhoud en worden
voordelen behaald bij de inkoop van deze materialen.
Het betreft overigens een dringende aanbeveling en géén harde verplichting. Dat wil
zeggen dat het niet verboden is om voor een ander type te kiezen. In dat geval worden
eventuele meerkosten qua investering en/of beheer & onderhoud ten opzichte van
hetgeen waar men volgens het basiskwaliteitsniveau uit het Beleidsplan recht op heeft, in
rekening gebracht bij de aanvrager/initiatiefnemer (vaak het stadsdeel). Gelet op de
gezamenlijk uitgesproken ambitie wordt ervan uitgegaan dat het aantal afwijkingen
beperkt blijft en dat bij afwijking van het beleidsplan dit gemotiveerd kenbaar wordt
gemaakt in het kader van de bestuurlijke besluitvorming over het betreffende plan.
De mechanische en elektrotechnische eisen die o.a. in het kader van veiligheid gesteld
worden aan masten en armaturen (maar ook aan overspanningen, kabels en andere
toebehoren) worden geïnventariseerd in de vorm van een program van eisen. Deze zijn
getoetst aan de geldende algemene Nederlandse en Europese normen.
In samenwerking met Bureau Monumentenzorg en Archeologie wordt een inventarisatie
gemaakt van
monumentale en historisch bijzondere verlichtingsobjecten
.
Amsterdam is voor wat betreft het
ondergrondse openbare verlichtingsnet
voor het
grootste deel aangesloten op een zogeheten combikabelnet. Een combikabelnet wordt
voor verschillende doeleinden gebruikt, onder andere voor openbare verlichting.
Daarnaast zijn er twee ‘eigen’ solonetten die wel speciaal voor openbare verlichting zijn
gelegd (in ZuidOost en IJburg). Het beheer van het combikabelnet wordt verzorgd door
een door de Directie Toezicht energie (DTe; onderdeel van de Nederlandse
Mededingingsautoriteit, NMa) hiertoe aangewezen bedrijf; in Amsterdam is dat Continuon
Netbeheer. Indien bij vervanging c.q. nieuwe aanleg van een voedingskabel het uit
financieel en technisch oogpunt interessant is om een solokabel te realiseren in plaats
van aan te sluiten op de combikabel, dan wordt voor de eerste optie gekozen.
De mogelijkheden die er zijn met betrekking tot het op afstand
in- en uitschakelen
van
verlichtingsobjecten worden verder geoptimaliseerd. In de toekomst wordt onderzocht of
investeringen in verdergaande vormen wenselijk en mogelijk zijn. Uitwerking ervan vindt
plaats in het Beheerplan openbare verlichting.
Met ingang van 2004 betrekt de gemeente Amsterdam de
energie
voor de openbare
verlichting rechtstreeks van het Afval Energie Bedrijf Amsterdam. Het betreft hier relatief
milieuvriendelijke CO2-arme energie die vrijkomt bij het verbranden van afval. Het gebruik
van zonneenergie voor openbare verlichting wordt onderzocht.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
7
Het
strategisch beheer
wordt verricht door de gemeente en heeft betrekking op
beleidsvorming en beleidsbewaking, opdrachtgeverschap, kennisbundeling, communicatie
en budgetbeheer.
Het
operationeel beheer en onderhoud
omvat alle uitvoerende diensten die verricht
moeten worden als uitvloeisel van het door de gemeente geformuleerde beheerbeleid en
die strekken tot het goed en veilig functioneren van de openbare verlichting, zowel
ondergronds als bovengronds. Hierbij moet worden gedacht aan storingsafhandeling,
schouwen, schoonmaak, schilderen, profielwijziging, vervanging, behandeling klachten,
etc. Deze diensten worden in opdracht van de gemeente door derden verricht.
Milieu
wordt bij alle facetten van het te voeren beleid voor de openbare verlichting
betrokken. Toetsingskader is het gemeentelijke milieubeleid. Amsterdam heeft zich
gebonden aan een concrete invulling van het landelijke beleid naar aanleiding van de
mondiale afspraken die in Kyoto zijn gemaakt over de terugdringing uitstoot CO2. Als
uitvloeisel van dit beleidsplan wordt op basis van een aantal criteria een doelstelling tot
het terugbrengen van het energieverbruik in het Beheerplan geformuleerd.
Bij de inkoop van materialen worden milieueisen gesteld. Bij uitbesteding wordt geëist dat
opdrachtnemers ISO-gecertificeerd zijn. Verder wordt het hergebruik van materialen
bevorderd. Ook wordt per project getoetst of gedeeltelijke in plaats van volledige
vervanging de voorkeur verdient. Materialen als staal en gietijzer verdienen vanuit
milieuoverwegingen veruit de voorkeur boven andere materialen, zoals aluminium.
Gekozen wordt voor milieuvriendelijke coatings daar waar deze voor de bescherming van
de mast noodzakelijk zijn.
Belangrijke milieuaspecten bij armaturen zijn met name de toegepaste materialen, de
mate waarin hergebruik mogelijk is en de aard van het ontwerp.
Lampen dienen te voldoen aan de eisen die de EU-Richtlijn op het gebied van de
beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen stelt. De gemeente kiest waar mogelijk
voor elektronische voorschakelapparatuur vanuit overwegingen van hergebruik,
lampsysteemrendement en levensduur van de lamp.
Lichtvervuiling is een relatief nieuw, maar daarom geen onbelangrijk onderwerp.
Landelijke richtlijnen hieromtrent worden door de NSVV voorbereid. De hiervoor vermelde
nadere onderzoeken en uitwerkingen worden opgenomen in het op te stellen “beheerplan
openbare verlichting” (als logisch vervolg op het beleidsplan).
Voor de
financiering
van beheer en onderhoud, nieuwbouw, vervanging en
profielwijziging openbare verlichting zijn diverse budgetten beschikbaar. Het
basiskwaliteitsniveau openbare verlichting – en dan met name de “aanbeveling
standaarden masten en armaturen” - is doorgerekend op zijn financiële consequenties.
Uitkomst is dat met de huidige beschikbare budgetten het in het beleidsplan voorgestelde
ambitieniveau – binnen de kaders van o.a. schaal en samenwerking - gerealiseerd kan
worden. Dat betekent dat bij eventuele budgetverlagingen het voorzieningenniveau
verlaagd zal worden.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
8
Uiterlijk eind 2006 verschijnt het
Beheerplan
openbare verlichting. In dit beheerplan
worden in ieder geval de volgende in het Beleidsplan genoemde onderwerpen nader
uitgewerkt: milieu, lichthinder/lichtvervuiling, schakelen, monumentale en historische
verlichtingsobjecten, mechanische en elektrotechnische vereisten aan masten en
armaturen.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
9

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
10

Inleiding & leeswijzer

Inleiding & leeswijzer
Openbare verlichting in Amsterdam
Openbare verlichting heeft als doel om bij duisternis die zaken in de openbare ruimte
zichtbaar te maken die belangrijk zijn voor een veilig en doelmatig gebruik ervan: andere
deelnemers aan het verkeer, het wegdek/trottoir, objecten in de openbare ruimte,
eventueel bedreigende situaties of personen, straatnaamborden, etc. Verlichting levert
daarmee een belangrijke bijdrage aan het gevoel van sociale veiligheid, de
verkeersveiligheid, de leefbaarheid (sfeer) en aantrekkelijkheid van de openbare ruimte ’s
avonds en ’s nachts.
De gemeente is volgens het (nieuwe) Burgerlijk Wetboek (boek 6, artikel 174) in haar
functie van wegbeheerder verantwoordelijk voor het aanleggen en goed functioneren van
verlichting van de openbare ruimte. In beginsel is de gemeente aansprakelijk voor schade
als de weg niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden
redelijkerwijs mogen worden gesteld.
Dit komt ook tot uitdrukking in de Gemeentewet op grond van artikel 172 is de
burgemeester “(…) belast met de handhaving van de openbare orde.” Als uitvloeisel
hiervan en vanwege de verkeersveiligheid wordt er door de gemeente openbare
verlichting aangebracht en in stand gehouden.
Het areaal openbare verlichting in Amsterdam omvat thans (peildatum 1 januari 2005):
116.000 lichtmasten, 133.500 armaturen en 140.000 lampen.1 Het ondergrondse
kabelnet waarop de openbare verlichting is aangesloten is eigendom van Continuon
Netbeheer. Uitzondering hierop vormen de zogeheten solonetten in het stadsdeel
Zuidoost en in de nieuwe wijk IJburg. Deze solonetten – die uitsluitend bestemd zijn voor
openbare verlichting – omvatten thans 373 kilometer kabel met 231 voedingskasten.
Doel Beleidsplan
Het voorliggende beleidsplan legt de ambities van de gemeente voor aanleg, beheer en
onderhoud, wijziging en vervanging van de openbare verlichting vast.
Bij de verzelfstandiging van het toenmalige Gemeente Energiebedrijf (GEB) besloot de
gemeenteraad in 1994 om het eigendom van de openbare verlichting over te dragen aan
de nieuw te vormen NV Energiebedrijf Amsterdam (EBA). Het EBA voerde in opdracht
van de gemeente alle noodzakelijke werkzaamheden uit. Vier jaar later draaide de
gemeente Amsterdam vanwege gewijzigde wetgeving haar besluit terug en nam het
eigendom over de openbare verlichting weer over.
Daarmee is de verantwoordelijkheid voor de openbare verlichting weer volledig in handen
van de gemeente gekomen. De taak van de gemeente is het zorgdragen voor een
efficiënt en effectief beheer en onderhoud van de verlichtingsinstallaties evenals het
aanleggen, aanpassen en vervangen van nieuwe c.q. bestaande installaties teneinde al
het verkeer volgens de normen van verkeersveiligheid af te wikkelen en de sociale
veiligheid te bevorderen.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
11
In het verlengde hiervan besloot de gemeente om een visie op de openbare verlichting te
formuleren. Dit was bovendien noodzakelijk omdat de formele bevoegdheid voor de
openbare verlichting grotendeels bij de stadsdelen berust, maar het feitelijke beheer
daarvan in de praktijk eerst door het EBA en vanaf 1999 door de Dienst Infrastructuur
Verkeer en Vervoer (DIVV) wordt ingevuld.
In het uit februari 2001 daterende ‘Advies over de organisatie van de openbare verlichting
in Amsterdam’ stond als doel van een beleidsplan openbare verlichting omschreven dat
het:
1 de bestuurlijke verhoudingen en de organisatie van de openbare verlichting moest
vastleggen;
2 een duidelijke omschrijving diende te bevatten van het te hanteren
basiskwaliteitsniveau op verlichtingsgebied voor de stad in haar geheel; en
3 uitspraken zou moeten doen over verschillende aspecten van de openbare verlichting,
zoals verkeersveiligheid, sociale veiligheid, vormgeving van masten en armaturen en
de relatie openbare verlichting en het milieu.
In 2005 zal een besluit worden genomen over de vraag op welke wijze de bevoegdheden
rondom openbare verlichting moeten worden geregeld. (zie verder ook hoofdstuk 1).
Stadsilluminatie, sierverlichting en reclame
Naast de ‘functionele’ openbare verlichting wordt - voor wat betreft verlichting in de
openbare ruimte die verzorgd wordt door de gemeente - de zogenaamde stadsilluminatie
en sierverlichting onderscheiden. Over beide worden in het beleidsplan openbare
verlichting geen uitspraken gedaan.
Onder stadsilluminatie wordt het verlichten/aanlichten van monumentale
gebouwen en (kunst)objecten verstaan waardoor ’s avonds en ’s nachts op eigen wijze de
schoonheid hiervan zichtbaar wordt gemaakt en een bijdrage wordt geleverd aan de
aantrekkelijkheid en het beleven van de sfeer in de stad. Kunstlicht is in dit geval een
instrument om een object zichtbaar te maken.
Op dit moment (2005) worden 190 gebouwen en (kunst)objecten aangelicht. Voorts valt
de welbekende brugboogverlichting in de grachtengordel onder de noemer
stadsilluminatie (80 bruggen).
Stadsilluminatie is formeel de volledige bevoegdheid van de stadsdelen. In de praktijk
wordt de feitelijke invulling van die taak eerst door het EBA en thans door DIVV
uitgevoerd. Illuminatie is tot dusverre steeds als een aparte “discipline” beschouwd die
losstaat van openbare verlichting. De gedachte heeft terreingewonnen dat voor bijzondere
locaties juist een integrale aanpak van beide gewenst is om een zo optimaal mogelijke
verlichting van de openbare ruimte te bereiken. In aansluiting op het bestaande, uit 1993
daterende beleidsplan stadsilluminatie is in 2005 een aanvullende visie op doel en
ambities ten aanzien van stadsilluminatie geformuleerd waarin o.a. genoemde integrale
benadering centraal zal staan, maar ook het vroegtijdig betrekken van illuminatie bij grote
nieuwbouw- en renovatieprojecten en het participeren in culturele evenementen waarbij
kunstlicht op een creatieve wijze wordt gebruikt. 2

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
12
Sierverlichting
omvat zeer uiteenlopende vormen van kunstverlichting die als zodanig een
esthetische bijdrage leveren aan de beleving van de openbare ruimte in de stad.
Kunstlicht is in dit geval van zichzelf een ‘kunstwerk’.
Sierverlichting wordt niet gefinancierd uit de centrale budgetten maar wordt qua aanleg en
beheer en onderhoud door de aanvrager betaald.
Tenslotte doet het beleidsplan geen uitspraken over reclame. Het volstaat hier te melden
dat er twee ‘centrale’ reclamecontracten zijn waarbij reclameuitingen zijn gekoppeld aan
de openbare verlichtingsobjecten, te weten commerciële reclame door middel van - al dan
niet verlichte - reclameborden die aan lichtmasten hangen en reclame voor culturele en
sportevenementen die op driehoeksborden rondom lichtmasten zijn geplaatst.
Leeswijzer
In hoofdstuk 1 wordt in grote lijnen de voorgeschiedenis van de externe en interne
(bestuurlijke) verhoudingen met betrekking tot de openbare verlichting in Amsterdam
geschetst.
In de hoofdstukken 2 tot en met 5 wordt ingegaan op de diverse onderdelen van het
gewenste basiskwaliteitsniveau. Die onderdelen zijn verlichtingsniveau,
verlichtingsapparatuur (lampen, masten en armaturen), ondergronds ovl-net, schakelen
en energie en tenslotte beheer en onderhoud.
In hoofdstuk 6 komt de openbare verlichting in relatie tot het milieu uitgebreid aan de
orde.
Hoofdstuk 7 schetst het financiële kader van het beleidsplan.
De hoofdstukken eindigen met samenvattende conclusies.
Aansluitend is een overzicht van de gehanteerde afkortingen en hun betekenis
opgenomen.
De bijlagen bevatten de bijbehorende achtergrondinformatie en de kaarten met de
aanbevelingen voor de te hanteren standaarden voor de verlichtingsobjecten (masten en
armaturen). In de tekst van het beleidsplan wordt naar deze bijlagen verwezen.
Voorbereiding Beleidsplan
Dit beleidsplan is gemaakt door DIVV in opdracht van de wethouder voor Milieu,
Openbare Ruimte en Groen, Sport en Recreatie, Bedrijven als opdrachtnemer voor het
maken van dit beleidsplan. Als klankbord diende een ambtelijke werkgroep met
vertegenwoordigers van stadsdelen en de dienst Ruimtelijke Ordening.
Aan het beleidsplan is medewerking verleend door de dienst Ruimtelijke Ordening, de
dienst Onderzoek + Statistiek, het Bureau Monumentenzorg en Archeologie, Hans Wolff
en partners, het Regionaal Projectbureau Veilig Wonen van het politiekorps Amsterdam-
Amstelland, de dienst Milieu en Bouwtoezicht en het Energiebureau ARC.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
13
1 OVL buiten de gemeentegrenzen
De gemeente Amsterdam beheert ook een – beperkt – aantal openbare
verlichtingsobjecten dat formeel buiten de gemeentegrenzen valt. Het betreft hier
voornamelijk de verbindingswegen tussen Amsterdam Oost/Watergraafsmeer en
Amsterdam ZuidOost (Hoofdnet Auto). Deze verbindingswegen lopen via de gemeenten
Ouder-Amstel en Diemen. Het areaal omvat circa 500 verlichtingsobjecten. De kosten van
beheer en energie komen voor rekening van de gemeente Amsterdam.
Een soortgelijke situatie geldt ten aanzien van het Amsterdamse Bos dat formeel op het
grondgebied ligt van de gemeente Amstelveen.
Met genoemde gemeenten bestaan hierover goede afspraken.
Een omgekeerde situatie doet zich ook voor: in delen van Waterland in Amsterdam-Noord
wordt een aantal openbare verlichtingsobjecten beheerd door het Hoogheemraadschap
Noorderkwartier. Het betreft hier alle wegen buiten de bebouwde komen en de
doorgaande routes in Ransdorp en Zunderdorp.
2 Nota Ander Licht! (2005) / Motie raadslid R. Flos d.d. 18 november 2004 waarin het
College van B&W wordt verzocht in aanvulling op de bestaande beleidsnota
Stadsilluminatie een korte notitie te ontwikkelen waarin met name wordt ingegaan op de
nieuwere vormen van illuminatie en de rol die de gemeente daarbij kan spelen en
middelen te reserveren om een impuls te geven aan projecten op het gebied van
innovatieve en duurzaam uitgevoerde vormen van illuminatie.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
15

Inhoud

Inhoud
Voorwoord
3
Samenvatting
5
Inleiding & leeswijzer
10
1
Externe en interne (bestuurlijke) verhoudingen
18
1.1
Externe verhoudingen en organisatie
18
1.2
Interne (bestuurlijke) verhoudingen, regeling van taken, verantwoordelijkheden
en bevoegdheden
19
1.3
Afspraken tussen stad en stadsdelen m.b.t. openbare verlichting vanaf 2001 tot
heden 19
1.4
Basiskwaliteitsniveau openbare verlichting
20
2
Basiskwaliteit verlichtingsniveau
22
2.1
Verlichtingsniveau: veiligheid en zichtbaarheid
22
2.2
Aanbevelingen NSVV / NPR 13201-1
22
2.3
Politiekeurmerk Veilig Wonen
23
3
Basiskwaliteit lampen, masten, armaturen
25
3.1
Lampen: lichtkleur en kleurweergave
25
3.2
Lampen en rendement
26
3.3
Lampen en technologische ontwikkelingen
26
3.4
Masten en armaturen: aanbeveling standaardtypen
26
3.5
Masten en armaturen: veiligheid
30
3.6
Monumentale verlichtingsobjecten- en apparatuur
30
4
Basiskwaliteit ondergronds ovl-net, schakelen en energie
33
4.1
Ondergronds ovl-net
33
4.2
Schakelen
34
4.3
Energieproductie en -distributie
35
4.4
Energie in Amsterdam
35
5
Basiskwaliteit beheer en onderhoud
38
5.1
Strategisch beheer
38
5.2
Operationeel beheer
38
5.3
Onderhoud
39
6
Milieu en openbare verlichting
43
6.1
Energie, materiaal en lichthinder
43
6.1.1
Energieverbruik
43
6.1.2
Materiaalgebruik algemeen
44
6.2
Masten
45

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
16
6.3
Armaturen
46
6.4
Lampen
47
6.5
Voorschakelapparatuur
47
6.6
Lichthinder
47
7
Financieel kader
50
7.1
Nieuwbouw, vervanging, profielwijziging, beheer en onderhoud
50
7.2
Aanbeveling standaardtypen masten en armaturen
50
Afkortingen
52
Bijlage 1
Verlichtingsniveau: verlichtingssterkte & luminantie
53
Bijlage 2
Aanbeveling NSVV / NPR 13201-1
55
Bijlage 3
Normering lichtkleur
58
Bijlage 4
Documentatie
60
Bijlage 5
Aanschaf- en afschrijvingskosten standaarden
63
Bijlage 6
Aanbeveling standaardtypen masten en armaturen
65

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
17

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
18

1 Externe en interne (bestuurlijke)

1 Externe en interne (bestuurlijke)

verhoudingen

verhoudingen
De verhoudingen op het terrein van de openbare verlichting zijn in de afgelopen tien jaren
sterk veranderd. Allereerst wordt nader ingegaan op de “externe” verhoudingen (die
tussen de gemeente en het (voormalige) energiebedrijf. In paragraaf 1.2. komen de
interne/ binnengemeentelijke relaties aan de orde.
1.1
Externe verhoudingen en organisatie
Tot 1994 was de situatie op elektriciteitsgebied in Amsterdam overzichtelijk: de gemeente
én de afnemers hadden te maken met het eigen Gemeente Energiebedrijf (GEB) voor het
opwekken, distribueren en leveren van stroom. Het GEB was verder integraal
verantwoordelijk voor de openbare verlichting. Op 19 oktober 1994 besloot de
gemeenteraad tot verzelfstandiging van het GEB. Hieruit kwam de NV Energiebedrijf
Amsterdam (EBA) voort.
Met de verzelfstandiging van het GEB werd ‘tot nader order’ aan het EBA exclusief
opdracht gegeven tot het uitvoeren, aanleggen en onderhouden van de openbare
verlichting. Ook de activa werden overgedragen aan het EBA.
Hoewel de formele zeggenschap over de openbare verlichting nog steeds bij de
gemeente lag – immers het budget bleef bij de stad die vandaar uit door middel van
jaarplannen en -verslagen op afstand alles aanstuurde - maar hoe langer hoe meer werd
deze situatie als onwenselijk beoordeeld. Vanwege de nieuwe Elektriciteitswet van 1998
besloot de gemeente om het eigendom per 31 december 1997 terug te nemen. Op 10 juni
1998 passeerde de raadsvoordracht ‘Overname activa met betrekking tot de openbare
verlichting’ de gemeenteraad als hamerstuk. De voordracht gaf als motivering dat in de
Overeenkomst openbare verlichting is bepaald dat de gemeente Amsterdam bij het einde
van deze overeenkomst bij voorrang is gerechtigd het eigendom en alle rechten en
plichten inzake de openbare verlichting te verwerven tegen een koopsom gelijk aan de
boekwaarde, met inbegrip van de desintegratieschade. En van dat recht wenste de
gemeente gebruik te maken, tegen betaling van een bedrag van fl. 74.433.100, -
(exclusief BTW). In het licht van de gewijzigde taakstelling van de Bestuursdienst waar het
opdrachtgeverschap tot die tijd was ondergebracht, werd tegelijkertijd besloten “het
beheer van de activa onder te brengen bij de Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
(DIVV).”
Daarmee is de verantwoordelijkheid voor de openbare verlichting weer volledig in handen
van de gemeente. De taak van de gemeente werd gedefinieerd als “het zorgdragen voor
een efficiënt en effectief beheer en onderhoud van de verlichtingsinstallaties evenals het
aanleggen, aanpassen en vervangen van nieuwe c.q. bestaande installaties teneinde al
het verkeer volgens de normen van verkeersveiligheid af te wikkelen en de sociale
veiligheid te bevorderen”.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
19
1.2
Interne (bestuurlijke) verhoudingen, regeling van taken,
verantwoordelijkheden en bevoegdheden
De Verordening op de Stadsdelen geeft aan dat “de vaststelling van het minimumniveau
van straatverlichting” een A-taak is. Dit is niet verder toegelicht/ingevuld. Alle andere
taken op het gebied van de openbare verlichting waaronder beheer en onderhoud zijn dus
formeel "des stadsdeels". Het eigendom van de masten etc. alsmede van de bijbehorende
budgetten behoort hiermee automatisch toe aan de stadsdelen. Formeel hebben de
stadsdelen dus nagenoeg alle bevoegdheden en is de Centrale Stad slechts in beperkte
mate bevoegd. De praktijk is juist omgedraaid: de budgetten en nagenoeg alle taken
werden ingevuld door eerst het GEB, daarna het EBA en worden thans ingevuld door
DIVV. Overigens in overleg en met instemming van de stadsdelen. Zo zijn in 2001 alle
stadsdelen akkoord gegaan met een set afspraken – zie paragraaf 1.3 - waarin de
taakverdeling, de keuzevrijheid met betrekking tot masten en armaturen, het overleg, de
financiën, planning en control door middel van jaarplan en -verslag en de bijbehorende
ambtelijke en bestuurlijke overleggen zijn beschreven. In 2004 is vastgesteld dat deze
situatie moet worden beëindigd: er kan geen verschil zijn tussen de formele regeling zoals
die in de Verordening op de Stadsdelen staat en de dagelijkse invulling in de praktijk. In
2005 wordt een besluit genomen met het doel de taken, verantwoordelijkheden,
bevoegdheden en toekenning van financiële middelen inzake de openbare verlichting
eenduidig te regelen. Een en ander vindt plaats via de Bestuurlijke Begeleidingsgroep
‘Operatie financiële decentralisatie en terugdringing bureaucratie.’
1.3
Afspraken tussen stad en stadsdelen m.b.t. openbare
verlichting vanaf 2001 tot heden
In 2001 zijn tussen de centrale stad en de stadsdelen afspraken gemaakt die in de praktijk
van de afgelopen jaren naar tevredenheid hebben gewerkt. Het gaat dan om:
De verdeling van de taken en bevoegdheden
De gemeente en de stadsdelen dragen het beheer van de openbare verlichting over aan
DIVV. De gemeente (lees: DIVV) beheert het budget voor de openbare verlichting, neemt
de centrale inkoopfunctie voor haar rekening en fungeert als kenniscentrum ten behoeve
van gemeente en stadsdelen.
Het basiskwaliteitsniveau openbare verlichting en een eventueel hoger niveau
Voor de toekomst wordt uitgegaan van een zogeheten basiskwaliteitsniveau van de
diensten die ter zake van de openbare verlichting aan o.m. de stadsdelen worden
geleverd (zie verder par. 1.4). Het bepalen van dit basiskwaliteitsniveau is een
gemeentelijke bevoegdheid, gehoord de stadsdelen. Het staat een stadsdeel vrij om voor
een hoger kwaliteitsniveau te kiezen, mits voldaan wordt aan de functionele eisen van
DIVV en het stadsdeel de financiële gevolgen voor zijn rekening neemt.
Financieel
De gemeente stelt jaarlijks de budgetten vast die benodigd zijn voor het instandhouden
van het basiskwaliteitsniveau. Deze hebben betrekking op nieuwbouw, vervanging,
wijziging, beheer en onderhoud en stroomleverantie. De gemeente bepaalt per gebied wat
voor het basiskwaliteitsniveau de gestandaardiseerde kosten voor aanschaf en exploitatie
zijn.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
20
De planning- en controlsystematiek
De gemeente is verantwoordelijk voor de planning en control. Hierbij moet onder meer
worden gedacht aan een jaarplan voor planmatig onderhoud, vervanging en vernieuwing,
een begroting die ook per stadsdeel inzicht geeft in het budget dat gemoeid is met de
investeringen in de openbare verlichting, periodieke rapportages en een jaarrekening.
Periodiek bestuurlijk en ambtelijk overleg
Voorts verzorgt de gemeente de ondersteuning van ambtelijk en politiek-bestuurlijk
overleg met betrekking tot alle beleidsmatige aangelegenheden de openbare verlichting
betreffende.
De inhoudelijke invulling van het begrip minimumniveau uit de Verordening op de
stadsdelen wordt vervangen door het begrip basiskwaliteitsniveau dat door middel van
een op te stellen beleidsplan nader wordt ingevuld.
1.4
Basiskwaliteitsniveau openbare verlichting
Zoals al in 1.2 werd gesteld, kent de Verordening op de Stadsdelen het begrip
“minimumniveau van straatverlichting”. Dit begrip is echter nooit inhoudelijk gedefinieerd.
In dit beleidsplan wordt, uitgaande van de huidige formele taakverdeling, deze A-taak
nader omschreven in het voortaan te hanteren begrip “basiskwaliteitsniveau openbare
verlichting”. Dit basiskwaliteitsniveau bepaalt de standaard voor wat betreft de minimaal te
hanteren kwaliteit van de openbare verlichting. Het basiskwaliteitsniveau heeft betrekking
op de volgende elementen:
1. Verlichtingsniveau
2. Masten, lampen en armaturen
3. Ondergronds net, schakeltijden en energie
4. Beheer en onderhoud
Deze elementen van het basiskwaliteitsniveau worden in de hierna volgende
hoofdstukken uitvoerig beschreven en gedefinieerd.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
21
Samenvatting
In 1994 werd het GEB verzelfstandigd; in 1998 echter werden de activa openbare
verlichting door de gemeente Amsterdam teruggekocht en werd de Dienst IVV
aangewezen om de verantwoordelijkheid op zich te nemen.
De wijze waarop de afgelopen 10 jaar de taken rondom de openbare verlichting zijn
ingevuld wijkt sterk af van de formele bevoegdhedenverdeling zoals die in de Verordening
op de Stadsdelen is opgenomen: de centrale stad doet bijna alles en de stadsdelen
beperken zich tot de – overigens samen afgesproken – minimum taken.
Deze taakverdeling is in 2001 samen met de stadsdelen in het betreffende
Portefeuillehoudersoverleg afgesproken. In 2004 is door alle betrokkenen vastgesteld dat
aan deze situatie waarbij theorie en praktijk van elkaar afwijken moet worden beëindigd.
In 2005 wordt een besluit genomen met het doel de taken, verantwoordelijkheden,
bevoegdheden en toekenning van financiële middelen inzake de openbare verlichting
eenduidig te regelen.
Het in de Verordening op de Stadsdelen genoemde begrip minimum-verlichtingsniveau
wordt vervangen door het begrip ‘basiskwaliteitsniveau openbare verlichting’ waarin
worden geregeld: verlichtingsniveau; lampen, masten en armaturen; ondergronds net,
schakelen en energie; beheer en onderhoud.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
22

2 Basiskwaliteit verlichtingsniveau

2 Basiskwaliteit verlichtingsniveau
2.1
Verlichtingsniveau: veiligheid en zichtbaarheid
Het belangrijkste doel van de openbare verlichting is dat mensen (in hun hoedanigheid als
voetganger, fietser, automobilist, etc.) zich bij duisternis veilig, met goed zicht, maar ook
zichtbaar voor anderen in de openbare ruimte kunnen bewegen. Het verlichtingsniveau is
hierbij van essentiële betekenis.
Het bepalen van het verlichtingsniveau gebeurt op basis van de functies en de kenmerken
van de openbare ruimte. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen verkeerswegen en
(brom)fietspaden buiten de bebouwde kom en verkeerswegen, verblijfsgebieden en
(brom)fietspaden binnen de bebouwde kom. Bij verkeerswegen, waar de
verkeersveiligheid centraal staat, wordt vooral naar de verlichting van de rijbaan gekeken.
Bij verblijfsgebieden, waar de sociale veiligheid een belangrijke rol speelt, naar de gehele
openbare ruimte.
Het verlichtingsniveau wordt zowel door de gemiddelde verlichtingssterkte als door de
zogeheten luminantie bepaald. Deze begrippen worden nader toegelicht in bijlage 1. Het
begrip luminantie is belangrijker voor verkeersgebieden; voor verblijfsgebieden is het
begrip verlichtingssterkte het belangrijkst.
2.2
Aanbevelingen NSVV / NPR 13201-1
Overheden zijn vrij in het kiezen van het toe te passen verlichtingsniveau. Er zijn (nog)
geen wettelijke of anderszins bindende bepalingen voor de verlichtingskwaliteit. Door veel
gemeenten worden de aanbevelingen van de Nederlandse Stichting voor
Verlichtingskunde (NSVV) als leidraad bij het ontwerpen van de verlichting gehanteerd.
De NSVV heeft als doel “het bevorderen van kennis en het verspreiden van informatie, ter
verbetering van de toepassing van licht, ten voordele van de samenleving". Deze
organisatie coördineert onder andere onderzoek op het gebied van licht, lichttoepassing
en verlichting, biedt congressen, workshops en symposia aan, waarop de nieuwste
ontwikkelingen op het gebied van verlichting worden gepresenteerd, stelt normen,
aanbevelingen en richtlijnen op, en maakt informatie, afkomstig van nationale en
internationale organisaties op het gebied van licht, toegankelijk voor de verschillende
doelgroepen.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
23
De NSVV heeft in juni 2002 in samenwerking met het Nederlands Normalisatie-instituut
NEN de reeds bestaande 'Aanbevelingen voor openbare verlichting' gepubliceerd in de
vorm van de zogenaamde Nederlandse Praktijk Richtlijn 13201-1 (NPR 13201). Deze
richtlijn is (nog) niet wettelijk, maar ingeval van conflict kan de gemeente hierop worden
aangesproken.
Deze Richtlijn geeft een klassenindeling voor het verlichtingsniveau in relatie tot de
visuele behoefte van weggebruikers. De NPR 13201-1 is een richtlijn voor het vaststellen
van de minimumvoorwaarden waaraan de openbare verlichting in een bepaalde situatie
moet voldoen. De richtlijn is afgeleid van de Europese norm EN 13201.
In bijlage 2 treft u nadere informatie aan over de inhoud en de toepassing van de NPR
13201-1.
2.3
Politiekeurmerk Veilig Wonen
Het accent van de NPR 13201-1 ligt sterk op het verlichtingsniveau voor de rijbaan en de
weggebruiker. Het ‘Politiekeurmerk Veilig Wonen voor bestaande bouw en nieuwbouw’
daarentegen legt de nadruk op de sociale veiligheid, waarbij de fiets- en voetpaden,
parkeerplaatsen, achterpaden etc. even goed moeten zijn verlicht als de aanliggende
rijbanen.
Zo moet een buurt bij duisternis goed en gelijkmatig verlicht zijn. Dit kan niet alleen
inbraak voorkomen maar ook vandalisme en diefstal van of uit auto's. En, als men 's
avonds door een goed verlichte buurt loopt, geeft dit een veilig gevoel.
Voor de openbare verlichting luidt dan ook de basiseis: het woongebied is bij duisternis
helder, niet verblindend en gelijkmatig verlicht. Uitgangspunt is dat men personen op een
afstand van minimaal vier meter kan herkennen. De masten en armaturen voor de
openbare verlichting moeten zo worden geplaatst dat geen ongewenste donkere plekken
ontstaan. Voor het bepalen van de norm wordt een keuze gemaakt uit de NSVV-tabellen.
Het Politiekeurmerk stelt nog meer eisen aan openbare verlichting. Zo worden bepaalde
typen lampen niet goedgekeurd (bijvoorbeeld de geel/oranje lagedruk natriumlampen),
omdat deze onvoldoende kleurherkenning opleveren (zie ook hoofdstuk 3.1).
Een goede verlichting staat niet garant voor sociale veiligheid. Sociale veiligheid wordt
immers bepaald door meer factoren, waar de verlichting er één van is. Een goede
verlichting is wel een vereiste voor het bij duisternis als aangenaam ervaren van de
omgeving.
Samenvatting
Het verlichtingsniveau is van essentiële betekenis voor het doel van openbare verlichting:
bijdragen aan veiligheid en zichtbaarheid. Het bepalen van het verlichtingsniveau gebeurt
op basis van de functies en de kenmerken van de openbare ruimte.
Voor de openbare verlichting is de NPR 13201-1 de norm voor de te hanteren
basiskwaliteit van het verlichtingsniveau. Toekomstige aanpassingen van deze norm
worden in beginsel overgenomen.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
24
In aanvulling op de NPR wordt het Politiekeurmerk Veilig Wonen - als norm gehanteerd bij
de toepassing van het basiskwaliteitsniveau. Toekomstige aanpassingen van deze norm
worden in beginsel overgenomen.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
25

3 Basiskwaliteit lampen, masten,

3 Basiskwaliteit lampen, masten,

armaturen

armaturen
3.1
Lampen: lichtkleur en kleurweergave
Het totaal aantal lampen ten behoeve van de openbare verlichting in Amsterdam bedraagt
ongeveer 140.000. Hierbij is sprake van circa 75 verschillende typen lampen.
3 Het totale
vermogen van de lampen is 9.392 kilowatt.
4 Het gemiddelde vermogen per lamp in
Amsterdam is 70 watt.
5
Lampen kunnen verschillen in vorm, materiaal, lichtsterkte, lichtkleur & kleurweergave en
energieverbruik. Naast de lichtkleur als maatstaf voor de kleurindruk, is ook van belang
dat de kwaliteit van de kleur van voorwerpen gewaardeerd kan worden (kleurherkenning).
Deze kwaliteit is sterk afhankelijk van de samenstelling van het kleurenspectrum van een
lichtbron. De kwaliteit is uitgedrukt in de kleurweergave index (Ra). De hoogste waarde is
100, dat gegeven wordt aan daglicht en gloeilamplicht.
Het herkennen van kleuren, bijvoorbeeld van auto’s, kleding, gezichten, etc. draagt
volgens het al eerder genoemde Politiekeurmerk Veilig Wonen in hoge mate bij tot het
gevoel van sociale veiligheid. Gesteld kan worden dat kleurherkenning ongeveer 15%
meer zicht geeft.
Lichtbronnen uit vroeger eeuwen zoals kaarsen, olie en gas gaven een compleet
kleurspectrum en zorgden daarmee voor een redelijke kleurweergave. Dat gold ook voor
de gloeilamp, maar die zette meer dan 95 procent van de toegevoegde energie om in
stralingswarmte. De industrie ging op zoek naar lichtbronnen met een gunstiger
verhouding tussen energieverbruik en lichtopbrengst.
Omdat uit onderzoek bleek dat het menselijk oog het meest gevoelig was in het rood-
oranje gebied, midden in het zichtbare lichtspectrum, werden monochromatische
lichtbronnen als de lage druk natriumlamp ontwikkeld. Die zorgden ervoor dat de
omgeving zichtbaar was in een reeks van oranje tinten en zwarte tinten. Andere kleuren
waren niet herkenbaar. Het licht van dit type lamp werd voorts als onaangenaam ervaren.
Bij de latere hoge druk natriumlampen is de kleurweergave verbeterd en bij de nieuwste
typen is de kleurweergave zelfs voldoende te noemen. De verbetering van de
kleurweergave is echter ten koste gegaan van de effectiviteit van deze lichtbronnen.
De hoge druk kwiklampen stralen een wit licht uit. Maar ook bij deze lampen is het
kleurenspectrum verre van compleet. Door de relatief hoge kleurtemperatuur wordt het
licht van deze bronnen als kil ervaren. Voorts betekenen deze kwikhoudende lampen een
belasting voor het milieu. In Amsterdam komen deze lampen niet meer voor.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
26
De normen ten aanzien van de toe te passen lichtkleur verschillen per soort gebied:
woon- en verblijfsgebieden, bedrijventerreinen en Hoofdnet Auto. Zie voor de normering
ten aanzien van de toe te passen lichtkleur bijlage 3.
3.2
Lampen en rendement
De ene lamp geeft meer of minder licht dan de andere bij hetzelfde energieverbruik. De
voor een lamp benodigde hoeveelheid energie wordt uitgedrukt in watt en de hoeveelheid
licht in lumen.
Het rendement van de lamp is de hoeveelheid licht lumen (lm) die de lamp geeft per watt
(W) toegevoerd elektrisch vermogen (lm/W). Hoe hoger deze waarde, hoe hoger het
rendement (variërend van 8 tot 200 lumen per watt).
Zie voor wat betreft het terugdringen van het energieverbruik en materiaaleisen die
gesteld worden aan lampen hoofdstuk 6.1.1 resp. 6.1.2.3 (inzake milieu en openbare
verlichting).
3.3
Lampen en technologische ontwikkelingen
Door de voortschrijdende technologische ontwikkelingen zijn er lichtbronnen op de markt
gekomen die een zeer gunstige balans hebben tussen energieverbruik en lichtopbrengst.
Tevens beschikken ze over een uitstekende kleurweergave, een lange levensduur en een
aangename lichtkleur. Deze nieuwe lichtbronnen hebben de noodzaak verdrongen om
bijvoorbeeld de traditionele lagedruk natrium- en hogedruk kwiklampen toe te passen.
De mogelijkheden tot toepassing van met name LED-technologie voor de openbare
verlichting zijn in opkomst. LED-verlichting kan grote voordelen bieden als het gaat om
duurzaamheid, energieverbruik en lichtniveau. Op dit moment (2005) is de toepassing van
LED ten behoeve van openbare verlichting nog niet aan de orde vanwege licht- en
prijstechnische bezwaren. De potentie van deze techniek – maar ook die van andere
nieuwe lamptechnieken – voor de openbare verlichting verdient echter wel grote aandacht
met het oog op toekomstige beleidsmatige keuzes.
Het is zaak de technologische ontwikkelingen op het gebied van lampen op de voet te
volgen. Waar mogelijk worden nieuwe technieken – al dan niet in de vorm van
proefprojecten - toegepast indien deze bijdragen aan de vermindering van het
energieverbruik, de verbetering van de kleurweergave en de vergroting van de
lichtopbrengst.
3.4
Masten en armaturen: aanbeveling standaardtypen
Het verzorgen van verlichting in de openbare ruimte impliceert het plaatsen of ophangen
van objecten op uiteenlopende locaties zoals in woonstraten, op bedrijfsterreinen, in
parken, etc. De vormgeving van ook deze objecten levert een bijdrage aan de kwaliteit
van de inrichting en aantrekkelijkheid van de openbare ruimte. De gemeente wil ook aan
dit aspect van het basiskwaliteitsniveau openbare verlichting aandacht besteden. Hiertoe
is de “aanbeveling standaardtypen masten en armaturen opgesteld". In het navolgende
wordt hier nader op ingegaan.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
27
Aanleiding tot de aanbeveling
In Amsterdam staan ruim 116.000 lichtmasten en 133.500 armaturen (inclusief armaturen
opgehangen via overspanningskabels).
6 Niet alleen het aantal objecten als zodanig is
groot, ook het aantal ‘typen’, zowel lichttechnisch, als qua vormgeving.
Geconstateerd moet worden dat in de afgelopen decennia qua vormgeving niet altijd een
zorgvuldige afstemming van typen masten en armaturen op de bebouwde omgeving
(architectonisch, stedenbouwkundig) en de openbare ruimte heeft plaatsgevonden.
Ook is er sprake geweest van een willekeurige en onsamenhangende plaatsing in de
stad. Dit speelt zelfs op het ‘microniveau’ van bijvoorbeeld een straat. Bij de plaatsing
(c.q. vervanging) van masten en armaturen speelden voornamelijk lichttechnische
overwegingen een rol.
Het ontbreken van een visie op de vormgeving van masten en armaturen voor de gehele
stad in al zijn diversiteit heeft geleid tot een groot aantal typen masten en armaturen (en
diverse combinaties hiervan). Door het over het algemeen uitsluitend functionele karakter
van het standaardaanbod door het toenmalige GEB en zijn rechtsopvolgers ontstond bij
de beheerders openbare ruimte een begrijpelijke behoefte aan meer keuzemogelijkheden
(en dus meer typen masten en armaturen).
Dit alles heeft ook consequenties gehad voor het beheer en onderhoud dat in
toenemende mate complex is geworden. Met deze aanbeveling ‘standaardtypen masten
en armaturen’ wil de gemeente als beheerder van de openbare verlichting een aantal
doelen bereiken:
1 Efficiënter beheer en onderhoud;
2 Inkoopvoordelen;
3 Verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte.
Deze doelstellingen zijn te realiseren door het aantal typen standaardmasten en -
armaturen (sterk) te beperken en bij (ver)plaatsing van masten/armaturen de keuze van
het type etc. primair te laten bepalen door deze qua vormgeving meer af stemmen op de
specifieke kenmerken van de openbare ruimte en de bebouwde omgeving.
Deze aanbeveling die in nauw overleg met en met instemming van alle stadsdelen en de
dienst Ruimtelijke Ordening tot stand is gekomen, richt zich op alle stadsdelen en
centrale diensten die zich in het kader van herinrichting, reconstructies, onderhoud,
nieuwe aanleg etc. bezig houden met (ver)plaatsing van openbare verlichting. Het is een
aanbeveling en géén verplichting. Dat wil zeggen dat het partijen vrij staat om voor een
ander type te kiezen. In dat geval worden eventuele meerkosten qua investering en/of
beheer & onderhoud ten opzichte van hetgeen waar men volgens het
basiskwaliteitsniveau recht op heeft, in rekening gebracht bij de aanvrager/initiatiefnemer;
meestal het stadsdeel. Dit is overigens thans ook al de praktijk.
Gelet op de gezamenlijk uitgesproken ambitie wordt ervan uitgegaan dat het aantal
afwijkingen beperkt blijft en dat bij afwijking van het beleidsplan dit gemotiveerd kenbaar
wordt gemaakt in het kader van de bestuurlijke besluitvorming over het betreffende plan.
Gegeven de uitkomsten van het bovengenoemde overleg is de verwachting
gerechtvaardigd dat met deze aanbeveling van standaardtypen masten en armaturen een

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
28
assortiment wordt aangeboden dat aansluit op de visie op de inrichting van de openbare
ruimte en dat nadrukkelijk ook aansluiting wil zoeken bij de typische kenmerken van de
bebouwde omgeving.
Totstandkoming
In het onderstaande wordt beknopt uitgelegd hoe - op basis van de genoemde
doelstellingen - de aanbeveling tot stand is gekomen.
Amsterdam kenmerkt zich door een grote, door de eeuwen heen opgebouwde diversiteit
op het gebied van architectuur en stedenbouwkunde. De aanbeveling standaardtypen
masten en armaturen beoogt een koppeling te leggen tussen enerzijds de aard van de
bebouwde omgeving (architectonisch, stedenbouwkundig, historisch) en anderzijds
diverse typen masten en armaturen.
In de gemeentelijke ‘Kadernota voor de welstandsbeoordeling in Amsterdam’ (februari
2004)
7 worden zogeheten ‘ruimtelijke systemen’ onderscheiden. Ruimtelijke systemen
zijn gebieden die op grond van architectonische en stedenbouwkundige kenmerken een
samenhangende eenheid vormen. De verdeling van de stad in deze ruimtelijke systemen
is als basis gehanteerd voor de aanbeveling standaardtypen openbare verlichting.
In de Kadernota worden minimaal acht van deze ruimtelijke systemen onderscheiden.
Een voorbeeld is de 19e-eeuwse Ring van wijken gelegen rondom de Singelgrachtzone,
tot standgekomen tussen ruwweg 1865 en 1920. Deze wijken worden gerekend tot het
ruimtelijke systeem ‘19e-eeuwse Ring’ omdat ze allen getypeerd worden door globaal
dezelfde architectonische en stedenbouwkundige kenmerken. Voorbeelden van wijken die
hiertoe behoren zijn de Dapperbuurt, de Staatsliedenbuurt, de Pijp, etc.
Andere ruimtelijke systemen zijn (met een aantal voorbeelden van
stadsdelen/wijken/locaties):
het gebied binnen de Singelgracht (o.m. grachtengordel, Jordaan);
de zogeheten historische kernen, linten en fragmenten in stedelijke gebieden (o.m.
Sloten, Sloterdijk, Schellingwoude, Buiksloterdijk);
de gordel 1920-1940 (o.m. Spaarndammerbuurt, Rivierenbuurt, De Baarsjes);
de tuindorpen (o.m. Betondorp, Vogelbuurt, Van der Pekbuurt);
het Algemeen Uitbreidingsplan Amsterdam (AUP) (o.m. Bos en Lommer, Slotermeer,
Osdorp, Buitenveldert, Buikslotermeer);
het post-AUP (o.m. Molenwijk, 1e fase Bijlmermeer, Banne Buiksloot);
de zgn. laat twintigste-eeuwse nieuwbouwwijken (o.m. Gaasperdam, Holendrecht-
West, Nieuw Sloten, De Aker).
De na bijlage 5 in de Aanbeveling opgenomen kaart Ruimtelijke Systemen is een
enigszins geabstraheerde weergave van de kaart uit de Kadernota voor de
welstandsbeoordeling. In de kaart zijn de verschillende ruimtelijke systemen samengevat.
Naast de bovengenoemde ruimtelijke systemen worden onderscheiden: verstedelijkte
havengebieden (KNSM-eiland, Oostelijke Handelskade), aanvullende bouwlocaties
(Marcantilaan, Polderweggebied), kantoren en bedrijfsterreinen (Sloterdijk, Riekerpolder,
Amstel III), perifere groengebieden (Brettenzone, Schinkel/Nieuwe Meer) en gebieden in
verhevigde ontwikkeling (IJburg, ZuidAs, Teleport, ArenA-gebied, etc.).

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
29
In aanvulling op de Kadernota wordt in deze aanbeveling een categorie ‘locaties met een
stedelijk en nationaal belang’ onderscheiden. Hiermee is de gehele stad in kaart gebracht.
Ruimtelijke systemen strekken zich uit over de grenzen van stadsdelen. Het komt dus
voor dat ruimtelijke systemen in verschillende stadsdelen bestaan. Zo voldoet een 19e
eeuwse wijk als de Staatsliedenbuurt (stadsdeel Westerpark) aan dezelfde
architectonische en stedenbouwkundige kenmerken als De Pijp (stadsdeel Oud-Zuid).
Beide behoren tot het ruimtelijke systeem ‘19e eeuw’.
Het omgekeerde is natuurlijk ook mogelijk: in een stadsdeel kunnen verschillende
ruimtelijke systemen voorkomen. Bijvoorbeeld het stadsdeel Westerpark kent de
ruimtelijke systemen 19e eeuw, gordel 1920-1940, maar ook aanvullende bouwlocaties.
Aanbeveling standaardtypen masten en armaturen
In de bijlagen 3.1 tot en met 3.12 van de Aanbeveling worden alle ruimtelijke systemen
afzonderlijk beknopt omschreven en voorzien van een aanbeveling voor wat betreft
passende typen masten en armaturen.
In de bijlagen 2, 2a, 2b van de Aanbeveling worden de standaardtypen masten en
armaturen voorgesteld met een korte beschrijving. Voor de keuze van deze standaarden
zijn de volgende criteria gehanteerd:
1 een aantal verlichtingsobjecten is historisch gezien onlosmakelijk met Amsterdam
verbonden en heeft een vanzelfsprekende plaats veroverd binnen het Amsterdamse
stadsbeeld; voorziet dit historisch opgebouwde areaal niet in een passend type mast
en armatuur, dan wordt een aanbeveling voor een nieuw type gedaan;
2 de aanbevolen verlichtingsobjecten zijn niet ouder dan de ontstaansgeschiedenis van
een ruimtelijk systeem;
3 de voorgestelde verlichtingsobjecten komen in de huidige situatie al veelvuldig voor;
de aanbeveling borduurt dus voort op het bestaande areaal aan verlichtingsobjecten;
4 er wordt uitgegaan van een beperkt aantal standaarden om de ruimtelijke eenheid in
gebieden te bevorderen én om overwegingen van efficiency qua beheer en inkoop.
De in de aanbeveling genoemde masten en armaturen zijn uitdrukkelijk bedoeld als
‘typen’; ze doen een uitspraak over de aanbevolen vorm(geving), niet over het merk c.q.
de fabrikant. De gehanteerde namen zijn om die reden deels historisch bepaald (zoals
genoemd in de ‘volksmond’), deels fictief.
In een aantal stadsdelen is – door middel van zogeheten handboeken openbare ruimte –
ook visie ontwikkeld op de wenselijke vormgeving van openbare verlichtingsobjecten.
Waar mogelijk is hiermee in deze aanbeveling al rekening gehouden of zal hiermee in de
nadere uitwerking van deze aanbeveling rekening worden gehouden.
In bijlage 4.1 t/m 4.3 van de Aanbeveling staan de overzichtskaarten van Amsterdam
‘ingekleurd’ volgens de aanbeveling en uitgesplitst naar overspanningsarmaturen, lage en
hoge masten.
In bijlage 5 van de Aanbeveling tenslotte worden de afzonderlijke stadsdelen in kaart
gebracht.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
30
De standaardtypen masten en armaturen zijn voorzien van een standaardprijs (bijlage 5).
3.5
Masten en armaturen: veiligheid
Aan masten en armaturen (maar ook aan overspanningen, kabels en toebehoren) worden
uiteraard mechanische en elektrotechnische eisen gesteld. Deze producten moeten in zijn
algemeenheid voldoen aan de Nederlandse en internationale (Europese) normen voor
wat betreft elektrotechniek en voorts voorzien zijn van het Europese kenmerk ENEC
(European Norms Electrical Certification). Het ENEC-keurmerk staat voor veiligheid van
een product op gebied van o.a. elektrische, mechanische en thermische eigenschappen.
Het mag alleen gebruikt worden indien de fabrikant zijn product door een erkend
keurinstituut laat keuren met positief resultaat. Het ENEC-keurmerk is het nieuwe
keurmerk voor de gehele Europese Unie dat alle bestaande Europese keurmerken (zoals
bijvoorbeeld het welbekende KEMA) moet vervangen.
Armaturen voor openbare verlichting moeten ook aan speciale mechanische vereisten
voldoen. Hierbij moet gedacht worden aan aspecten van water- en stofdichtheid, sterkte
en slagvastheid. Dit soort vereisten is vastgelegd in diverse internationale zogeheten IEC-
normen.
De mechanische vereisten die gesteld worden aan masten en overspanningen zijn van
groot belang voor de veiligheid op straat. De sterkte van de mast, de windvang van de
armatuur en de mastlengte moeten hiertoe nauwkeurig op elkaar afgestemd zijn. Voor het
berekenen van de sterkte van lichtmasten zijn Nederlandse praktijkrichtlijnen, in dit geval
de NPR 993, van toepassing. Voor het gebruik van materialen, toleranties en afmetingen,
oppervlakbehandeling gelden Nederlandse en Europese normen.
Voorts worden eisen gesteld met betrekking tot radiostoring. De producten moeten
voorzien zijn van het welbekende CE-logo (Conformité Européenne).
Naast de bovengenoemde producten zelf moet ook de installatie ervan aan bepaalde
normen voldoen, onder andere de Nederlandse installatienorm voor het ontwerpen van
netten (NEN 1010 en de NEN-EN 50110 als Europese richtlijn). De NEN1010 is een in
Nederland algemeen erkende elektrische norm die bepalingen bevat voor het ontwerp en
de realisatie van veilige, doelmatige en goed functionerende elektrische installaties. Bij
nieuw te plaatsen en bij reguliere vervangingsprojecten worden de lichtmasten zoveel
mogelijk conform de NEN1010 aangesloten.
3.6
Monumentale verlichtingsobjecten- en apparatuur
In Amsterdam zijn op een aantal plekken masten en armaturen te vinden die een
monumentaal dan wel bijzonder historisch karakter hebben.
Hierbij kan worden gedacht aan de monumentale, zogeheten kandelabers (1844) voor en
achter het Koninklijk Paleis, de lantaarns van H.P. Berlage op het Beursplein (1930) of de
replica’s van de olielantaarns van uitvinder Jan van der Heijden (Amstelveld, Magere
Brug). Ook op bruggen zijn vaak monumentale verlichtingsobjecten te vinden
(Blauwbrug).

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
31
Er zijn meer verlichtingsobjecten die vanwege hun monumentale en/of historische
karakter bescherming verdienen en voor wat betreft het beheer en onderhoud een
bijzondere behandeling vereisen. In sommige gevallen zal zelfs restauratie nodig zijn. Ook
randapparatuur zoals bijvoorbeeld schakelkasten verdienen vanwege hun historische
karakter en/of vormgeving (veelal Amsterdamse School) bescherming.
Thans bestaat geen compleet overzicht van dit soort masten, armaturen en
randapparatuur. In samenwerking met o.a. Bureau Monumentenzorg en Archeologie zal
hiervan een inventarisatie worden gemaakt. Deze zal worden opgenomen in het
“beheerplan openbare verlichting”.
Samenvatting
De normen ten aanzien van de toe te passen lichtkleur bij lampen verschillen per soort
gebied: woon- en verblijfsgebieden, bedrijventerreinen en Hoofdnet Auto, Hoofdnet fiets,
parken, tunnels en viaducten, etc.
Criteria voor de beoordeling van de kwaliteit van de toe te passen lampen zijn rendement,
helder licht met goede kleurherkenning. Voorts worden aan lampen milieueisen gesteld.
De ontwikkelingen op het gebied van de technologie van lampen gaan snel. Het is zaak
deze op de voet te volgen. Waar mogelijk worden nieuwe technieken - al dan niet in de
vorm van proefprojecten - toegepast indien deze bijdragen aan verhoging rendement,
verbetering kleurweergave en vergroting lichtopbrengst.
In de afgelopen decennia heeft niet altijd een zorgvuldige afstemming plaatsgevonden
van de vormgeving van masten en armaturen in relatie tot de architectuur en het
stedenbouwkundige karakter van een wijk. Met de aanbeveling standaardtypen masten
en armaturen wil de gemeente een aantal doelen bereiken: 1. Efficiënter beheer en
onderhoud; 2. Inkoopvoordelen; 3. Verbetering van de kwaliteit van de openbare ruimte.
Het betreft overigens een dringende aanbeveling en géén harde verplichting. Dat wil
zeggen dat het niet verboden is om voor een ander type te kiezen. In dat geval worden
eventuele meerkosten qua investering en/of beheer & onderhoud ten opzichte van
hetgeen waar men volgens het basiskwaliteitsniveau recht op heeft, in rekening gebracht
bij de aanvrager/initiatiefnemer (vaak het stadsdeel). Gelet op de gezamenlijk
uitgesproken ambitie wordt ervan uitgegaan dat het aantal afwijkingen van het beleidsplan
beperkt blijft en dat bij afwijking dit gemotiveerd kenbaar wordt gemaakt in het kader van
de bestuurlijke besluitvorming over het betreffende plan.
De mechanische en elektrotechnische eisen die o.a. in het kader van veiligheid gesteld
worden aan masten en armaturen (maar ook aan overspanningen, kabels en andere
toebehoren) zullen worden geïnventariseerd in de vorm van een program van eisen. Deze
zijn getoetst aan de geldende algemene Nederlandse en Europese normen.
In samenwerking met o.a. Bureau Monumentenzorg en Archeologie wordt een
inventarisatie gemaakt van monumentale en historisch bijzondere verlichtingsobjecten.
Deze wordt opgenomen in het “beheerplan openbare verlichting”.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
32

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
33

4 Basiskwaliteit ondergronds ovl-net,

4 Basiskwaliteit ondergronds ovl-net,

schakelen en energie

schakelen en energie
4.1
Ondergronds ovl-net
Het ondergrondse kabelnet ten behoeve van openbare verlichting in Amsterdam bestaat
uit een aansluiting op het zogeheten combikabelnet en daarnaast een tweetal solonetten
speciaal voor openbare verlichting. Op het combikabelnet zijn ongeveer 90.000 masten
aangesloten. Lichtmasten worden in Nederland in de meeste gevallen aangesloten op het
reeds aanwezige kabelnet dat eigendom is van de aldaar opererende netbeheerder. Dit
wordt een combikabelnet genoemd: dit combikabelnet bestaat uit een hoofdkabel met
daarnaast diverse hulpaders ten behoeve van uiteenlopende functies. Zo zijn niet alleen
lichtmasten, maar ook woningen en bedrijven voor de energievoorziening (‘voeding’) op
dit kabelnet aangesloten. Woningen en bedrijven worden aangesloten op de hoofdkabel
van dit combikabelnet. Een lichtmast wordt via een aansluitkabel aangesloten op de
aparte lichtmastader. Zodra de OVL-ader via het voedingspunt bij het invallen van de
duisternis of anderszins door middel van inschakeling onder spanning wordt gezet, zal de
lichtmast gaan branden.
Ten aanzien van een tweetal gebieden in Amsterdam is door de gemeente – vanuit met
name praktische en financiële overwegingen maar ook om een meer zelfstandige en
onafhankelijke positie te kunnen innemen - ervoor gekozen niet gebruik te maken van het
combikabelnet, maar zelf een kabelnet (‘solonet’) aan te leggen speciaal voor openbare
verlichting. Dit geldt voor het stadsdeel ZuidOost en voor de nieuwbouwwijk IJ-burg. Deze
solonetten zijn eigendom van de gemeente Amsterdam.
Voor wat betreft het functioneren voor de langere termijn van het ondergrondse net in
relatie tot de openbare verlichting zullen - gegeven tezijnertijd noodzakelijke vervanging
van het combinet en met het oog op verdere uitbreidingen van de stad - beleidsmatige
keuzes worden gemaakt ten gunste van het combi- dan wel het solonet. Vooralsnog wordt
voor op zichzelf staande nieuwbouwwijken gekozen voor het aanleggen van solonetten,
mits deze wijken een grootschalig karakter hebben, geografisch duidelijk zijn omlijnd en
een en ander in technische zin haalbaar is.
Voor vervanging en/of uitbreiding van het bestaande combinet door de netbeheerder zal
door de gemeente een keuze moeten worden gemaakt. Deze te maken beleidsmatige
keuze zal overigens moeten worden bezien in het licht van de uitkomsten van de op enig
moment te verwachten politieke discussie over het mogelijk overdragen van het
netbeheer van de huidige energiebedrijven naar derden.
Het beheer van het combinet, de realisatie van aansluitingen, het transporteren van
energie en het beheer en onderhoud van dit alles worden ATS-diensten genoemd
(Aansluitingen, Transport- en Systeemdiensten). De afnemer betaalt hiervoor een
bijdrage, gerelateerd aan o.a. het aantal aansluitingen en verbruikte energie aan de

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
34
netbeheerder.Ten aanzien van deze ATS-diensten met betrekking tot het combinet is voor
de Amsterdamse regio door de overheid (in de vorm van de Dienst uitvoering en toezicht
Energie, DTe) slechts één bedrijf aangewezen, te weten Continuon Netbeheer. Voor de
gemeentelijke solonetten met haar eigen specificaties en kosten zijn soortgelijke condities
afgesproken.
Continuon Netbeheer verzorgt in opdracht van de gemeente Amsterdam de ATS-diensten
ten behoeve van de solonetten.
Zoals in hoofdstuk 3.5 al werd gesteld worden ook aan het ondergrondse net eisen
gesteld ter zake van veiligheid voor mens en dier, zowel ingeval van ondergrondse
werkzaamheden in het kader van nieuwbouw, vervanging, herprofilering, beheer en
onderhoud, als ingeval van activiteiten bovengronds.
Zo werd al de NEN1010 genoemd als algemeen erkende elektrische norm met
bepalingen voor het ontwerp en de realisatie van veilige, doelmatige en goed
functionerende elektrische installaties. Bij nieuw te plaatsen en bij reguliere
vervangingsprojecten worden de lichtmasten zoveel mogelijk conform deze norm
aangesloten op het net.
4.2
Schakelen
De openbare verlichting brandt in Amsterdam gemiddeld circa 4100 uur per jaar. Dit is
circa 47 procent van het totale aantal uren (uit het oogpunt van sociale en
verkeersveiligheid brandt de verlichting in tunnels en viaducten 24 uur per etmaal).
In Amsterdam is gekozen voor het schakelen van de openbare verlichting aan de hand
van lichtmeting. Een automatisch werkende schakeling zorgt er voor dat de verlichting
aangaat zodra het donker wordt en weer uitgaat zodra het licht wordt (hierbij wordt
uitgegaan van de gemiddelde grenswaarde van 11 lux). De foto-elektrische cel is zodanig
afgesteld dat bij normale weersomstandigheden de schakeltijden gelijk zijn aan de voor
het gebied geldende astronomische kalender.
In 2004 is begonnen met het verder optimaliseren van het huidige schakelsysteem om
met behoud van het noodzakelijke verlichtingsniveau het energieverbruik te verminderen.
Een en ander is afhankelijk van de lampsoorten en de aard van de diverse locaties.
Van de tijdsgebieden waar de astronomische klok mee rekening houdt kon in het recente
verleden al worden afgeweken. Het openbare verlichtingsnetwerk in Amsterdam kent
namelijk ca 720 schakelgroepen waaraan verlichtingsobjecten zijn gekoppeld, waardoor
het mogelijk is om - bijvoorbeeld in het kader van een inspectie - één of meer groep(en)
overdag te laten branden. Van deze groepen kunnen weer tien clusters gemaakt worden
met een onderling afwijkende schakeltijd.
Technologische ontwikkelingen staan ook in dit geval niet stil. Door middel van
‘telemanagement’ is het mogelijk elk afzonderlijk verlichtingsobject op afstand te beheren.
Niet alleen kunnen hierdoor op objectniveau de schakeltijden worden bepaald, ook
ontstaan er mogelijkheden tot het tijdelijk aanpassen van het lichtniveau per object
(dimmen of juist verhogen van verlichtingssterkte). Een en ander kan al naar gelang de
situatie een substantiële bijdrage leveren aan vermindering van energieverbruik, het

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
35
tegengaan van overbodig licht, maar ook de vergroting van de sociale en
verkeersveiligheid.
In de verdere toekomst wordt onderzocht of investeringen in verdergaande vormen van
telemanagement wenselijk en mogelijk zijn. Uitwerking hiervan vindt plaats in het
“beheerplan openbare verlichting”.
4.3
Energieproductie en -distributie
Door de Elektriciteitswet (1998) werd de elektriciteitsmarkt - in navolging van
telecommunicatie, kabel en openbaar vervoer - nagenoeg vrijgemaakt. Concurrentie in de
energiesector moet leiden tot lagere elektriciteitsprijzen voor consumenten en
ondernemingen. Bij de herstructurering van de elektriciteitswereld werden de productie-
en de distributiefuncties en het netwerkbeheer van elkaar gescheiden. Nederland kent nu
(2005) vier grote landelijke energieproducenten.
TenneT, de onderneming die het landelijke hoogspanningsnet exploiteert, is volledig in
handen van het Rijk.
Er zijn thans in Nederland vijf distributiebedrijven van energie. Zoals ook uit paragraaf 4.1
is gebleken, blijven de stedelijke en regionale elektriciteitsnetten in handen van de
distributiebedrijven, die daarvoor aparte dochterondernemingen als 'netbeheerder'
opgericht hebben. Volgens de theorie is bij privatisering scheiding van infrastructuur en
exploitatie uitgangspunt. In de elektriciteitssector krijgt de netbeheerder weliswaar een
onafhankelijke raad van commissarissen en moet ze ook concurrenten op het net
toelaten, maar feitelijk blijft het een particuliere monopolist die een relatie heeft met één
van de marktspelers.
Bij een door de overheid vrij gegeven energiemarkt is een onafhankelijke
toezichthoudende autoriteit van eminent belang. De Dienst uitvoering en toezicht Energie
(DTe) moet garanderen dat concurrerende bedrijven de kans krijgen om hun energie
tegen een eerlijke prijs over het net te transporteren. Omdat de energiedistributeurs elk in
hun eigen regio monopolist zijn, heeft DTe tot taak om te bepalen wat redelijke tarieven
zijn.
4.4
Energie in Amsterdam
Voor het transport van energie ten behoeve van openbare verlichting is de gemeente
aangewezen op netbeheerder Continuon Netbeheer (in het kader van de ATS-diensten;
zie 4.1).
Voor wat betreft de in te kopen energie heeft de gemeente de vrije keuze. Al sinds 1
januari 2001 wordt de voor de openbare verlichting benodigde energie betrokken van het
Afval Energie Bedrijf Amsterdam (AEB, voorheen AVI-West). Deze ‘Amsterdamse stroom’
wordt duurzaam en CO2 -arm opgewekt door het verbranden van afval en is daarmee
relatief milieuvriendelijk (50% groen).
Niet alleen ten behoeve van de openbare verlichting, maar ook voor het railvervoer en het
stadhuis werd vanaf genoemde datum een contract met NUON gesloten voor de
leverantie van energie; NUON kocht de benodigde energie in bij de voorloper van het
AEB. Dit contract liep af op 31 december 2003.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
36
In 2004 is rechtstreeks met het AEB een gemeentebrede raamovereenkomst voor de
levering van energie (onder andere voor openbare verlichting) afgesloten.
De programmaverantwoordelijkheid en facturatie die NUON ook verzorgde werd
overgenomen door de Energie Data Maatschappij (EDMij). De EDMij verzorgt het
energieprijsmanagement voor ondernemingen die zelf in staat zijn, of willen zijn, om de
techniek in het productieproces te optimaliseren.
De mogelijkheden om openbare verlichtingsobjecten te laten functioneren door middel
van energie verkregen via zonnecollectoren zullen worden onderzocht door middel van
proefprojecten (zie hierover meer in 6.1.1).
Samenvatting
Amsterdam is voor wat betreft het ondergronds ovl-net voor het grootste deel aangesloten
op een combikabelnet. Er zijn twee ‘eigen’ solonetten speciaal voor openbare verlichting.
Het beheer van het combikabelnet wordt verzorgd door een door de DTe hiertoe
aangewezen bedrijf; het beheer van de solonetten door NWS, NUON. Indien bij
vervanging c.q. nieuwe aanleg van een voedingskabel het uit financieel en technisch
oogpunt interessant is om een solokabel te realiseren in plaats van aan te sluiten op de
combikabel dan wordt voor de eerste optie gekozen.
De mogelijkheden die er zijn met betrekking tot het op afstand schakelen van
verlichtingsobjecten worden verder geoptimaliseerd. In de toekomst wordt onderzocht of
investeringen in verdergaande vormen wenselijk en mogelijk zijn. Uitwerking ervan vindt
plaats in het “beheerplan openbare verlichting”.
De gemeente Amsterdam betrekt de energie voor de openbare verlichting rechtstreeks
van het Afval Energie Bedrijf Amsterdam. Het betreft hier relatief milieuvriendelijke CO2 -
arme energie die vrijkomt bij het verbranden van afval. De toepassingsmogelijkheden van
zonne-energie worden onderzocht.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
37

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
38

5 Basiskwaliteit beheer en onderhoud

5 Basiskwaliteit beheer en onderhoud
5.1
Strategisch beheer
De wegbeheerder (lees: de gemeente) is verantwoordelijk is voor het goed en veilig
functioneren van de openbare verlichting. Aan deze beheertaak zijn uiteenlopende
werkzaamheden verbonden die allen tot doel hebben het beheer van het areaal openbare
verlichting in de stad effectief en efficiënt te laten verlopen.
De beheerwerkzaamheden zijn onder te verdelen in strategisch beheer, operationeel
beheer en onderhoud.
Het strategisch beheer heeft betrekking op beleidsvorming en beleidsbewaking,
opdrachtgeverschap en budgetbeheer met betrekking tot openbare verlichting,
energielevering, ATS-diensten en netcontracten.
Taken en producten in het kader van beleidsvorming en beleidsbewaking zijn o.m. het
opstellen van beleidsplannen, regelgeving kwaliteit (o.a. in beheerplannen),
programmering en monitoring.
In het kader van het opdrachtgeverschap is de gemeente verantwoordelijk voor het
budgetverwerving en -beheer en sluit zij overeenkomsten met derden inzake operationeel
beheer, onderhoud, projecten vervanging, nieuwbouw en profielwijziging.
Daarnaast is de gemeente in het kader van het strategische beheer kenniscentrum en
verzorgt zij in die hoedanigheid de ambtelijke en bestuurlijke communicatie.
5.2
Operationeel beheer
Het operationeel beheer omvat alle uitvoerende diensten die verricht moeten worden als
uitvloeisel van het door de gemeente geformuleerde beheerbeleid en die strekken tot het
goed en veilig functioneren van de openbare verlichting, zowel ondergronds als
bovengronds.
Deze diensten worden in opdracht van de gemeente door derden verricht. Bij de keuze
van de opdrachtnemers van de diverse te leveren diensten is het gemeentelijke beleid
gericht op meer marktwerking van toepassing.
De kwaliteit van de meest belangrijke diensten wordt door de gemeente getoetst aan de
hand van vantevoren met de uitvoerder overeengekomen normen.
Het operationeel beheer heeft o.a. betrekking op de volgende diensten:
objectbeheer
behandeling klachten
verrichten schouwen
Objectbeheer
Voor een goed beheerbeleid is een betrouwbaar en compleet bestand met alle gegevens
omtrent alle objecten openbare verlichting van zeer groot belang. Het betreft hier
gegevens als locaties, kenmerken masten en armaturen, energieverbruik, leeftijd, etc.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
39
Uiteraard moeten alle mutaties (storingen, preventieve lampvervanging, reparaties,
verplaatsingen, etc.) in het databestand snel worden verwerkt en eenvoudig toegankelijk
zijn. Belangrijk is hierbij dat op deze manier een goede invulling gegeven kan worden aan
het strategisch beheer. Eenduidig objectbeheer vormt de basis van alle beslissingen die
genomen moeten worden
Behandeling klachten
Het onderkennen van klachten en het hier adequaat op reageren is van groot belang voor
een constante verbetering van het product en de beleving ervan door individuele
Amsterdammers. Onder klachten worden uitdrukkelijk geen storingen of fouten in het
ontwerp (zoals lichthinder) verstaan. Pas als er op meldingen, vragen of suggesties naar
mening van de klager niet adequaat wordt gereageerd, treedt de klachtenprocedure in
werking. Thans is er nog geen eenduidige voor alle gemeentelijke instanties in
Amsterdam geldende procedure met betrekking tot de afhandeling van klachten.
In afwachting hiervan gelden de volgende termijnen. Individuele Amsterdammers,
stadsdelen en andere organisaties die een mondelinge of schriftelijke klacht hebben
ingediend over de wijze waarop diensten zijn verricht, ontvangen binnen vijf werkdagen
na melding een schriftelijke bevestiging met o.a. informatie over de verwachte
afhandelingstermijn. Indien nodig wordt de klager benaderd om meer informatie over de
klacht te vergaren. Binnen twintig werkdagen ontvangt de klager een beargumenteerd
antwoord.
Verrichten schouwen
Schouwen zijn bedoeld om de feitelijke situatie van de openbare verlichting op een of
meer concrete locaties te beoordelen. Deze worden meestal op verzoek van het
stadsdeel verricht. Vaak zijn hier ook andere partijen bij aanwezig, bijvoorbeeld de politie.
Na ter plaatse de bevindingen van de verlichting te hebben geconstateerd en besproken
wordt een schouwrapport opgeleverd. Dit schouwrapport kan een aantal werkzaamheden
tot verbetering van de verlichtingssituatie tot gevolg hebben.
Elk schouwverzoek wordt gehonoreerd. Er is een normtermijn waarbinnen de
schouwrapporten worden opgeleverd. Voorts is er een aantal criteria ten aanzien van de
inhoud van de rapporten.
5.3
Onderhoud
Onderhoud is onder te verdelen in preventief en correctief onderhoud.
Preventief onderhoud
Preventief onderhoud is erop gericht het areaal openbare verlichting in goed
functionerende staat te houden. Ook is preventief onderhoud gericht op een net en
schoon straatbeeld. Kortom, ‘schoon en heel’.
Het preventief onderhoud heeft betrekking op de volgende diensten:
preventieve vervanging lampen
schoonmaak
schilderen
vervanging

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
40
Correctief onderhoud
Correctief onderhoud is erop gericht om individuele objecten openbare verlichting die
getroffen zijn door storingen en/of schades snel en effectief weer naar behoren te laten
functioneren.
Het correctief onderhoud heeft betrekking op:
storingen
inspecties
schades
Vervanging van lampen masten en armaturen alsmede het volgen van profielwijzigingen
van stadsdelen is in dit beleidsplan eveneens onder de noemer “onderhoud” gebracht.
Voor het onderhoud van openbare verlichting bestaat de zgn. NEN 3140. In deze norm
worden de bevoegdheden weergegeven van personen die werken in en aan elektrische
installaties. Bedrijven die werkzaamheden in het kader van beheer en onderhoud
verrichten moeten aan deze norm voldoen.
Storingen
Storingen aan de openbare verlichting zullen altijd blijven optreden. Het aantal storingen
zal wel verminderen als gevolg van bijvoorbeeld de langere levensduur van materialen, de
grotere vandaalbestendigheid van mast en armatuur, etc.
Het is van belang dat de periode dat de verlichting niet goed functioneert zo kort mogelijk
is. Storingen worden opgespoord door schouwen (zie eerder al beschreven), door
storingsmeldingen en door inspecties.
Door individuele Amsterdammers geconstateerde storingen aan openbare verlichting
moeten snel en eenvoudig gemeld kunnen worden. De behandeling van de
storingsmelding moet doeltreffend zijn opdat de betreffende verlichting binnen de
geldende termijnen weer functioneert. Een adequate behandeling van een
storingsmelding draagt bij aan de motivatie van een Amsterdammer om ook toekomstige
door hem/haar geconstateerde storingen te melden.
De storingsmelding vindt telefonisch plaats via een vast telefoonnummer dat 24 uur per
dag bereikbaar is. Voor optimale afhandeling is het van groot belang dat er geen
onduidelijkheid is over welk object getroffen is door de storing. Hiertoe is elke lichtmast
voorzien van een uniek nummer. Het is wenselijk dat wanneer een Amsterdammer een
storing wil doorgeven hij/zij het nummer van de betreffende mast kan melden. Het
nummer dat op de mast is aangebracht dient goed leesbaar te zijn.
Er zijn kwaliteitscriteria voor de tijd waarbinnen de Amsterdammer daadwerkelijk
telefonisch contact moet krijgen met een medewerker om de storing te kunnen melden.
Ten aanzien van de afhandeling van storingen zijn er criteria over de termijn waarbinnen
deze normaliter moet plaatsvinden (vijf werkdagen); criteria voor wat betreft communicatie
met de melder indien de genoemde termijn niet gehaald wordt; en criteria met het oog op
de te leveren periodieke rapportages richting de gemeente.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
41
Het ligt voorts in de lijn van het gemeentelijke beleid om aan te sluiten op een
gemeentelijk ‘callcenter’ (en website) waar alle opmerkingen over het functioneren van
openbare verlichting binnen komen. Voor de openbare verlichting heeft dit als voordeel
dat men gebruik maakt van hetzelfde nummer en doordat dit beter bekend is bij de
bevolking is de verwachting dat de storingen meer en sneller gemeld worden.
Inspecties
De periodieke vervanging van lampen (zie hierna) vormt een voor de hand liggende
gelegenheid om tevens een visuele inspectie te houden van het functioneren van de
individuele objecten openbare verlichting. De continuïteit ervan kan op deze wijze worden
gewaarborgd omdat na een inspectie - tezamen met vervanging lampen - de
verlichtingsinstallatie weer optimaal functioneert. Door de visuele inspectie wordt het
beheer en onderhoud optimaal ingevuld en heeft de beheerder continu zicht op de staat
van onderhoud en de conditie van de overige delen van de installatie. Het aantal
branduren van de lichtbronnen wordt maximaal benut. Alle gemelde storingen worden met
een vaste frequentie verholpen.
Schades
Schade aan onderdelen van de openbare verlichting ontstaat in de meeste gevallen als
gevolg van een aanrijding of onoordeelkundig gebruik van de openbare ruimte vanwege
werkzaamheden. Schades worden binnen de afgesproken termijn gerepareerd. Prioriteit
heeft de schade die gevolgen heeft voor de veiligheid. De kosten van reparatie worden
integraal verhaald bij het verzekeringsbedrijf c.q. de veroorzaker. De werkzaamheden in
het kader van de veiligstelling van de verlichtingsinstallatie als gevolg van schade zijn aan
minimumnormen gekoppeld. Ook gelden er normen met betrekking tot de termijn
waarbinnen de melding van de schade aan de verzekeraar en de opgave van de
reparatiekosten plaatsvindt.
Schoonmaak
Lichtmasten en armaturen zijn schoon, lees: vrij van klad en plak. Het vrijhouden van klad
en plak vormt een belangrijk onderdeel van het operationeel beheer openbare verlichting.
Van belang is dat tussen alle betrokken partijen goede afstemming plaatsvindt over de
diverse verantwoordelijkheden voor een effectief antiklad- en plakbeleid. Het klad- en
plakvrijhouden van de openbare verlichtingsobjecten moet namelijk gepaard gaan met
een actief klad- en plakvrijhouden van de andere objecten in de openbare ruimte.
De reiniging van de masten vindt op een milieuvriendelijke wijze plaats.
Schilderen
Het schilderen van masten zorgt voor bescherming tegen met name weersinvloeden en is
voorts onderdeel van het beleid om te zorgen voor net en verzorgd uiterlijk van dit
straatmeubilair. Door middel van een meerjarenprogramma wordt het gehele areaal
periodiek geschilderd (gebruikelijk is een termijn van 10 jaar).
Vervanging
Voor het planmatig vervangen van masten, armaturen en lampen is een
meerjarenvervangingsprogramma noodzakelijk. Hierin komt tot uitdrukking ‘wat’ ‘wanneer’
voor vervanging in aanmerking komt en welke de financiële consequenties zullen zijn.
Een betrouwbaar objectbeheersysteem is hiertoe een eerste vereiste. Het op te stellen
meerjarenvervangingsprogramma zal een dynamisch karakter hebben dat afgezet wordt

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
42
tegen de Cocuwo en waarin rekening wordt gehouden met de Aanbeveling standaarden
masten en armaturen zoals elders beschreven. Voor de inkoop van materialen vormt het
meerjarenvervangingsprogramma een belangrijke inbreng.
Het periodiek grootschalig preventief vervangen van de lampen openbare verlichting
(“remplace”) bij einde gemiddelde technische levensduur heeft als voordelen dat storingen
ten gevolge van kapotte lampen zullen teruglopen en de lichtopbrengst wordt verhoogd
(o.a. door gelijk de kappen van de armaturen te reinigen). Remplace draagt dan ook bij
aan de continuïteit van de kwaliteit van de verlichting.
Voor het vervangen van lampen geldt een aantal criteria: de leeftijd van een lamp, zijn
branduren, kleur, uitwisselbaarheid en niet in de laatste plaats het vermogen. Onderdeel
van het beleid is dat er indien zich in de loop der jaren een lamp op de markt komt met
minimaal de eisen die in dit beleidsplan gesteld worden maar met een lager wattage of
kwikgehalte dan de nu bekende deze bij een eerste volgende vervanging ingewisseld
worden. Op deze manier wordt nauw gekeken naar het belang voor het milieu.
Profielwijzigingen
Profielwijzigingen die in ieder stadsdeel voorkomen worden door het stadsdeel op een
centrale plaats gemeld waarna in samenwerking met dat stadsdeel een plan van aanpak
wordt opgesteld voor wat betreft de consequenties voor de openbare verlichting. In dit
plan wordt naar een aantal facetten gekeken, te weten de huidige staat van de verlichting,
de inrichting na de profielwijziging en de extra wensen van het stadsdeel. Deze worden
getoetst aan de Aanbeveling standaarden masten en armaturen. Voorts worden de
consequenties qua tijd, budget en personele inzet doorgenomen. Uiteindelijk ontstaat op
deze manier een duidelijke projectomschrijving waarvan al in een vroeg stadium het
uiteindelijke resultaat bekend is.
Samenvatting
Het strategisch beheer wordt verricht door de gemeente en heeft betrekking op
beleidsvorming en beleidsbewaking, opdrachtgeverschap, kennisbundeling, communicatie
en budgetbeheer.
Het operationeel beheer en onderhoud omvat alle uitvoerende diensten die verricht
moeten worden als uitvloeisel van het door de gemeente geformuleerde beheerbeleid en
die strekken tot het goed en veilig functioneren van de openbare verlichting, zowel
ondergronds als bovengronds. Hierbij moet worden gedacht aan storingsafhandeling,
schouwen, schoonmaak, schilderen, profielwijziging, vervanging, behandeling klachten,
etc. Deze diensten worden in opdracht van de gemeente door derden verricht.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
43

6 Milieu en openbare verlichting

6 Milieu en openbare verlichting
Zowel bij het ontwerpen, het installeren als het beheer en onderhoud van openbare
verlichtingsinstallaties moet rekening worden gehouden met de belasting voor het milieu.
Het milieubeleid van de gemeente Amsterdam is erop gericht de stad leefbaar(der) en
duurza(a)m(er) te maken. Het milieubelang en het nadenken over milieu moet een
vanzelfsprekend onderdeel zijn van alle ontwikkelingen binnen de stad. Het
Milieubeleidsplan van de gemeente richt zich dan ook op de integratie van milieu als
volwaardig aandachtspunt in de beginfase van de verschillende beleidsprocessen. Van
evenveel belang is vervolgens de goede en consequente uitvoering in de praktijk.
6.1
Energie, materiaal en lichthinder
De belangrijkste milieuaspecten bij de openbare verlichting zijn:
energieverbruik
materiaalgebruik (waaronder hergebruik)
lichthinder
Milieuwinst ten aanzien van deze aspecten is te boeken in twee stadia: het ontwerpproces
en de aanbesteding. Bij het ontwerp van de verlichtingsinstallatie dient kritisch naar de
situatie ter plekke gekeken te worden zodat met een minimale verlichting conform
richtlijnen als de NPR 13201-1 en het Politiekeurmerk Veilig Wonen een maximale
(verkeers- en sociale) veiligheid voor de weggebruiker verkregen wordt. Tijdens het
ontwerpproces moet ook rekening worden gehouden met de onderhoudsfase. Door
rekening te houden met onderhoudsaspecten kan bijvoorbeeld besparing in
elektriciteitsgebruik worden bereikt.
6.1.1 Energieverbruik
Het gebruik van energie en de daarmee gepaard gaande CO2-emissie (kooldioxide) is
een van de belangrijkste thema’s van het milieubeleid van de gemeente Amsterdam. Niet
alleen raken door het verbruik van energie (niet-vernieuwbare) olie-, gas- en
kolenvoorraden op. Bij verbranding van fossiele brandstoffen komen voorts CO2 en
diverse verzurende stoffen vrij die aanzienlijk bijdragen aan het broeikaseffect, met
klimaatverandering als gevolg.
De uitstoot van CO2 in Amsterdam stijgt nog elk jaar (5.000 kiloton CO2 in 1999); bij
ongewijzigd beleid stijgt dit in 2010 met 10%. Amsterdam geeft daarom invulling aan het
landelijke beleid dat naar aanleiding van de mondiale afspraken in Kyoto is aangescherpt.
In Kyoto tekende Nederland voor het terugdringen van de broeikasgassen met 6% in
2010 (ten opzichte van 1990). In het gemeentelijke milieubeleidsplan 2004-2006 is deze
doelstelling vertaald naar een reductie in 2007 van 500 kiloton CO2 per jaar.
Op basis van de verruimde reikwijdte van de Wet milieubeheer kan de gemeente door
handhavende instanties verplicht worden tot een energieonderzoek en het opstellen van
een plan van aanpak ter vermindering van het energiegebruik. Het energieonderzoek

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
44
brengt de mogelijkheden voor energiebesparing in kaart en het bijbehorende plan van
aanpak omvat alle opties met een terugverdientijd van tien jaar.
Naast gemeentelijk beleid en wettelijke kaders speelt het begrip Trias Energetica een rol
in energiebeleid. De Trias Energetica is een belangrijk uitgangspunt bij het terugdringen
van de milieubelasting door energiegebruik.
De Trias Energetica ziet er als volgt uit:
1 vraag verminderen (bijv. gebruik energiezuinige lampen)
2 duurzame energie toepassen (bijv. toepassen CO2-arme energie)
3 energie-efficiënte conversietechnologieën (bijv. elektronische VSA)
Als uitvloeisel van dit beleidsplan zal op basis van de volgende elementen een
kwantitatieve doelstelling tot het terugbrengen van het energieverbruik en een bijbehorend
plan van aanpak worden geformuleerd die zal worden opgenomen in het “beheerplan
openbare verlichting”:
1 een analyse van het huidige areaal openbare verlichting;
2 de in de richtlijnen voorgeschreven verlichtingsniveaus in de verschillende delen van
de stad (NPR 13201-1, Politiekeurmerk Veilig Wonen);
3 de mogelijkheden tot energiebesparing door bijvoorbeeld het gebruik van betere
optieken en lichtbronnen (lampen), het efficiënter toepassen van de schakeltijden van
de verlichting (zie 4.2) en het op bepaalde locaties tijdelijk dimmen van het lichtniveau
(uiteraard mag de veiligheid hierbij niet in het geding komen). Ook zullen alternatieve
energiebronnen, zoals zonneenergie door middel van proefprojecten in openbare
parken in samenwerking met stadsdelen worden onderzocht op hun financiële en
technische haalbaarheid. 8
6.1.2 Materiaalgebruik algemeen
Naast energieverbruik is materiaal(-gebruik) een belangrijk milieuaspect. Bij het ontwerp
en de installatie van de openbare verlichtingsobjecten speelt dit aspect een rol; de
milieuconsequenties spelen echter voor een groot deel in de afvalfase.
Een belangrijk uitgangspunt in het Nederlandse afvalbeleid is de zogenaamde ‘Ladder
van Lansink’ (genoemd naar het toenmalige Tweede Kamerlid dat deze systematiek
formuleerde). Deze denkbeeldige ladder beschrijft de voorkeur voor omgaan met afval.
De Ladder van Lansink ziet er als volgt uit:
1 Kwantitatieve preventie (bijv. geen individuele verpakking lampen)
2 Kwalitatieve preventie (bijv. watergedragen verf)
3 Hergebruik product (bijv. jonge remplace lampen)
4 Hergebruik materiaal (bijv. oud ijzer verkopen ten behoeve van recycling)
5 Verbranden met terugwinning van energie (zoals bij het Afval Energie Bedrijf
Amsterdam)
6 Verbranden zonder terugwinning van energie
7 Storten
Het moge duidelijk zijn dat een positie zo hoog mogelijk op de ladder het meest
milieuvriendelijke alternatief is.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
45
Voor nieuw te ontwikkelen (delen van) openbare verlichtingsobjecten en vervanging is het
wenselijk een procedure ‘Duurzaam inkopen’ te ontwikkelen en toe te passen. Dit
betekent dat er vóór aanschaf van producten en diensten al een overzicht is van de
milieucriteria waaraan een product of dienst moet voldoen. Naast functionele eisen is het
bijvoorbeeld zaak de minimale dikte van de mastwand te bepalen (in verband met
minimalisering van het materiaalgebruik en kosten). Of stelt de gemeente eisen aan de
hoeveelheid verpakkingsmateriaal die om de in te kopen lampen zit.
De gemeente Amsterdam fabriceert zelf geen verlichtingsproducten. Wel kan ze als eis
stellen dat bij de aanschaf van producten leveranciers worden gekozen die ISO-
gecertificeerd zijn voor betreft een milieuzorgsysteem.
Voor bestaande delen van de openbare verlichting past de gemeente de Ladder van
Lansink toe. Bij werkzaamheden worden vrijkomende materialen zoveel mogelijk
hergebruikt. Uit de lampen die uit de remplace retour komen worden de 'jonge' lampen
(branduren minder dan een jaar) geselecteerd, die vervolgens voor herstel van storingen
hergebruikt kunnen worden. Gasontladingslampen worden volgens de EURAL (Europese
afvalstoffenlijst – inwerking getreden op 1 januari 2002, opvolger van BACA en BAGA 9)
tot het gevaarlijk afval gerekend. Met de EURAL wil de Europese Commissie het
systematische onderscheid tussen gevaarlijke en ongevaarlijke afvalstoffen in de hele
Europese Unie harmoniseren.
Deze lampen worden gescheiden afgevoerd naar erkende verwerkingsbedrijven. Ook de
retour komende lichtmasten die niet voor revisie in aanmerking komen gaan naar erkende
verwerkingsbedrijven.
Hergebruik (of ‘recycling’) van materialen vindt in de praktijk al vaak plaats. Hergebruik
heeft verschillende voordelen. Het bespaart grondstoffen en door hergebruik komen veel
minder (soms schadelijke) stoffen in het milieu terecht. En er wordt veel minder afval op
de vuilnisbelt gestort of in verwerkingsovens verbrand.
Voorts moet – alvorens over te gaan tot vervanging van masten en armaturen – worden
nagegaan of gedeeltelijke vernieuwing van de verlichtingsinstallatie tot de mogelijkheden
behoort. Voorkomen dient te worden dat een installatie wordt afgekeurd omdat de
verlichtingsapparatuur (lamp en voorschakelapparatuur) of de armatuur kapot zijn terwijl
de overige onderdelen nog aan de gewenste functie-eisen voldoen. Gedeeltelijke
vernieuwing van een installatie zorgt voor vermindering van materiaalgebruik en dus het
vrijkomen van afval.
6.2
Masten
Masten worden zowel in staal, als in gietijzer als in aluminium uitgevoerd. Naast
milieuafwegingen spelen bij de keuze voor een bepaald soort mast ook aspecten als
botsvriendelijkheid, stevigheid en plaatsbaarheid een rol. Deze zullen per situatie
verschillen en naast duurzaamheid ook een wegingsfactor vormen bij de keuze voor een
bepaalde mast. De materiaalsoort heeft voorts ook een rol gespeeld bij de aanbeveling
standaarden masten en armaturen (zie hoofdstuk 3.4 e.v.).
Aluminiummasten worden in Amsterdam uit milieuoverwegingen niet toegepast. De
productie van aluminium vergt erg veel energie. Daarnaast is de levensduur van de

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
46
masten door de materiaaleigenschappen aanzienlijk korter dan die van stalen masten.
Gietijzeren en stalen masten zijn minder milieubelastend dan masten uitgevoerd in
aluminium.
Bij de keuze voor zo milieuvriendelijk mogelijke masten voor de verlichtingsinstallatie,
wegen de volgende punten mee:
Hergebruik (‘recycling’)
Gietijzeren en stalen masten zijn beide goed herbruikbaar. Goed hergebruik is alleen
mogelijk wanneer de masten geheel demontabel zijn. Dit houdt in dat onderdelen van de
mast, zoals een kabelgeleiderail of een grondstukbeschermer, van de mast
gedemonteerd moeten kunnen worden zodat alle onderdelen hergebruikt of apart
verwerkt kunnen worden.
‘Coating’
Stalen masten zijn corrosiegevoelig. Om dit te beperken worden de masten thermisch
verzinkt. Verzinken is echter milieubelastend: de zinklaag neemt als gevolg van corrosie 5
tot 10 micrometer per jaar af (afhankelijk van de omgeving) en belast daarmee het milieu.
Om dit te voorkomen wordt de mast na het verzinken voorzien van een beschermingslaag
(‘coating’). De levensduur van de mast wordt hierdoor verlengd en de hoeveelheid zink
die in het milieu komt, wordt tot een minimum beperkt. Er zijn voorts milieuvriendelijke
coatings die zorgen voor een milieuverantwoorde conservering van de stalen masten.
6.3
Armaturen
Belangrijke milieuaspecten van armaturen zijn de materialen die in de armatuur worden
toegepast en de mogelijkheid deze materialen na afdanking van de armatuur opnieuw te
kunnen gebruiken. Voor armaturen wordt over het algemeen gebruik gemaakt van
kunststof en aluminium.
Al eerder is ingegaan op de mogelijkheid van renovatie van de verlichtingsinstallatie. Dit
geldt vooral voor armaturen. In de praktijk blijkt dat een armatuur een langere levensduur
kent, als (bij vervanging) de voorschakelapparatuur (VSA) en de lamp gemonteerd
worden op een aparte plaat. Dit maakt gescheiden vervanging van het VSA en de lamp
mogelijk, waardoor de behuizing van de armatuur minder snel afgeschreven hoeft te
worden.
Ook het ontwerp van de armatuur kan een belangrijke bijdrage leveren aan het zo min
mogelijk belasten van het milieu. Het voorkomen van vervuiling van de armatuur,
bijvoorbeeld door de toepassing van optieken of zelfreinigend glas, betekent een
belangrijke energiebesparing. De vervuilingsfactor in de lichtberekeningen kan hierdoor
worden verlaagd, wat zich kan vertalen in de toepassing van minder armaturen en/of
lagere wattages.
Ook het toepassen van goede optische systemen kan de efficiency en daarmee het
energieverbruik gunstig beïnvloeden.
Overige criteria om bij aanschaf van armaturen rekening mee te houden, zijn:

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
47
Een armatuur is opgebouwd uit diverse elementen. De mate van demontage van de
armatuur is van belang voor de recyclebaarheid van de diverse elementen. Kies bij
voorkeur voor armaturen die demontabel zijn.
Recyclebaarheid van de diverse elementen is alleen mogelijk wanneer het element uit
één materiaal bestaat. Glasvezelversterking van kunststoffen is nadelig aangezien de
kunststof na demontage niet gerecycled kan worden, maar als restafval moet worden
verbrand. Daarnaast hebben coatings een negatieve invloed op het recycleproces. Het
heeft de voorkeur geen milieubelastende coating op de armatuur aan te brengen.
6.4
Lampen
Op 27 januari 2003 is EU-Richtlijn 2002/95/EG door het Europese Parlement en de Raad
van de Europese Unie vastgesteld betreffende de beperking van het gebruik van
bepaalde gevaarlijke stoffen in elektrische en elektronische apparatuur. Deze EU-Richtlijn
vereist verplichte inzameling en recycling door fabrikanten en importeurs van afval van
elektrische en elektronische apparaten (‘AEEA’). Dit onder andere vanwege de noodzaak
om het gehalte aan gevaarlijke stoffen in afval te verminderen. De Europese lidstaten
dienen er zorg voor te dragen dat vanaf 1 juli 2006 er geen nieuwe elektrische of
elektronische apparatuur op de markt wordt gebracht die lood, kwik cadmium, zeswaardig
chroom, polybroombifenylen (PBB’s) of polybroomdefenylethers (PBDE’s) bevat.
In Nederland is er al sinds 1 januari 2002 het Besluit kwikhoudende producten (1998) met
het verbod om een kwikhoudend product te vervaardigen of in Nederland in te voeren. Per
1 januari 2003 is het verboden om een kwikhoudend product voor handels- en
productiedoeleinden voorhanden te hebben of toe te passen.
6.5
Voorschakelapparatuur
Voorschakelapparatuur (VSA) wordt toegepast tussen de voeding en
gasontladingslampen om er voor te zorgen dat de stroom door de lamp(en) op de juiste
waarde gehouden wordt. Op dit moment (2004) wordt voor het overgrote deel gebruik
gemaakt van zogeheten conventionele, niet elektronische VSA (zo’n 90%). Elektronische
VSA kennen grote voordelen ten opzichte van conventionele VSA. Elektronische VSA
verhogen het lampsysteemrendement en de levensduur van de lamp. Overigens is thans
niet voor elk lamptype een geschikte elektronische VSA voorhanden.
Daarnaast zijn dimbare VSA op de markt beschikbaar wat het elektriciteitsverbruik van
een verlichtingsinstallatie ten goede komt.
6.6
Lichthinder
Lichthinder (lichtvervuiling) is een onderwerp dat de laatste jaren steeds meer aandacht
krijgt. Er is een toename van het kunstmatige licht in de openbare ruimte met 6 tot 9% per
jaar (gegevens anno 2003), waardoor sluipenderwijs de nacht in Nederland steeds meer
teruggedrongen wordt en veel mensen ‘s nachts diverse vormen van lichthinder
ondervinden:
Verblinding;
‘Light trespass’: licht komt op plaatsen waar het niet bedoeld is, zoals in natuur, een
souterrain of in een slaapkamer;
‘Skyglow’: het ophelderen van de hemel boven lichtbronnen zoals steden en
kascomplexen.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
48
Er zijn nog geen richtlijnen ten aanzien van lichthinder. De NSVV bereidt richtlijnen voor.
Zodra deze beschikbaar zijn, zullen ze door de gemeente in beginsel worden
overgenomen.
Elke vorm van lichthinder voor bewoners die ondanks zorgvuldig beleid toch wordt
gemaakt, moet per geval worden opgelost.
De NSVV heeft over deze vormen van lichthinder overigens al eerder uitspraken gedaan.
De meest voorkomende criteria zijn:
Verlichting dient alleen te worden geplaatst als dit volgens bestaande richtlijnen
noodzakelijk is. Dit betekent dat alleen dáár licht wordt aangebracht waar het functioneel
is, in de zin dat het bijdraagt aan verkeers- en sociale veiligheid of aan oriëntatie.
Lichtmasten en armaturen dienen zo dicht mogelijk bij het object te worden geplaatst dat
verlicht moet worden. Omhoogschijnend licht dient te worden vermeden.
Samenvatting: lichtvervuiling is een relatief nieuw, maar daarom geen onbelangrijk
onderwerp. Landelijke richtlijnen hieromtrent worden door de NSVV voorbereid. In
beginsel worden deze overgenomen en opgenomen in het beheerplan openbare
verlichting.
Samenvatting:
Milieu wordt bij alle facetten van het te voeren beleid ten aanzien van de openbare
verlichting betrokken. Toetsingskader is het gemeentelijke milieubeleid.
Dde gemeente Amsterdam heeft zich gebonden aan een concrete invulling van het
landelijke beleid naar aanleiding van de mondiale afspraken die in Kyoto zijn gemaakt. Als
uitvloeisel van dit beleidsplan wordt op basis van een aantal criteria een doelstelling tot
het terugbrengen van het energieverbruik en een bijbehorend plan van aanpak
geformuleerd die wordt opgenomen in het Beheerplan openbare verlichting.
Bij de inkoop van materialen worden eisen gesteld m.b.t. de milieuaspecten. Daar waar
dit wordt uitbesteed, wordt geëist dat opdrachtnemers ISO-gecertificeerd zijn. Voorts
wordt het hergebruik van materialen bevorderd. Ook wordt per project getoetst of
gedeeltelijke in plaats van volledige vervanging de voorkeur verdient.
Materialen als staal en gietijzer verdienen vanuit milieuoverwegingen veruit de voorkeur
boven andere materialen, zoals aluminium. De gemeente kiest voor milieuvriendelijke
coatings daar waar deze voor de bescherming van de mast noodzakelijk zijn.
Belangrijke milieuaspecten bij armaturen zijn vooral de toegepaste materialen, de mate
waarin hergebruik mogelijk is en de aard van het ontwerp. In het inkoopbeleid worden
armaturen hierop getoetst.
Lampen dienen te voldoen aan de eisen die de EU-Richtlijn op het gebied van de
beperking van het gebruik van gevaarlijke stoffen stelt.
De voorkeur gaat uit naar elektronische voorschakelapparatuur vanuit overwegingen van
lampsysteemrendement en levensduur van de lamp.
Lichtvervuiling is een relatief nieuw, maar daarom geen onbelangrijk onderwerp.
Landelijke richtlijnen hieromtrent worden op korte termijn verwacht. In beginsel worden
deze overgenomen en opgenomen in het beheerplan openbare verlichting.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
49

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
50

7 Financieel kader

7 Financieel kader
7.1
Nieuwbouw, vervanging, profielwijziging, beheer en
onderhoud
Voor de financiering van beheer & onderhoud, nieuwbouw, vervangingsprojecten en
projecten in het kader van profielwijziging zijn budgetten beschikbaar. Voor 2005 gaat het
om (bedragen afgerond en excl. BTW):
beheer en onderhoud
€ 9.200.000,-
nieuwbouw:
€ 4.200.000,-
vervanging:
€ 8.800.000,-
profielwijziging:
€ 7.000.000,-
Nieuwbouw betreft een schatting omdat de hoogte van dit budget samenhangt met de
omvang van de ontwikkeling van nieuwbouwlocaties. Dit budget komt uit de betreffende
grondexploitaties.
De budgetten beheer & onderhoud, vervanging en profielwijziging zitten in de begroting
van de Centrale Stad.
7.2
Aanbeveling standaardtypen masten en armaturen
Het voorgestelde basiskwaliteitsniveau openbare verlichting is doorgerekend op zijn
financiële consequenties. Omdat de in het beleidsplan opgenomen kwaliteitsdoelen m.b.t.
beheer en onderhoud nagenoeg overeenkomen met het huidige ambitieniveau is dit
onderdeel niet verder doorgerekend: het huidige budget is daarvoor voldoende.
De in dit beleidsplan beschreven Aanbeveling standaardtypen masten en armaturen (zie
hoofdstuk 3.4) heeft gevolgen voor nieuwbouw, vervanging en profielwijzigingen.
De idee is daar waar de bestaande situatie op straat niet overeenkomt met hetgeen er
vanuit het beleidsplan voorgesteld wordt, de “correctie” plaats vindt in het kader van de
reguliere vervanging c.q. zo veel mogelijk gelijktijdig met een voorgenomen
profielwijziging. Bij nieuwbouwprojecten worden uiteraard vanaf het begin de
aanbevelingen uit het beleidsplan gehanteerd.
Voor de doorrekening van de financiële consequenties van de Aanbeveling is in
samenwerking met de dienst Onderzoek + Statistiek (O+S) een aantal aannames
geformuleerd.
Uitgangspunt is uiteraard het huidige areaal masten en armaturen: 116.000 resp. 133.500
objecten (1 januari 2005). Op diverse locaties in de stad “klopt de situatie niet”.
Bijvoorbeeld: in 19e eeuwse wijken wordt volgens de Aanbeveling voor wat betreft 4-
metermasten uitgegaan van de nieuwe standaard zijnde: mast 1883 in combinatie met
een gedecoreerde lantaarn. Ten aanzien van alle bestaande 4-metermasten in deze
wijken wordt aanbevolen deze op termijn te vervangen door de genoemde standaard.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
51
Maar in b.v. Zuidoost is een groot deel van het daar aanwezige materiaal conform het
beleidsplan. Ook in de in de afgelopen jaren gerealiseerde nieuwbouwplannen is
geanticipeerd op de Aanbevelingen.In de doorrekening zijn beide situaties meegenomen.
De technische levensduur verschilt voor wat betreft mast en armatuur en voor wat betreft
materiaalsoort. Stalen mast: 25 jaar; gietijzeren mast: 40 jaar; armatuur: 15 jaar. Deze
verschillen zijn eveneens in de doorrekening verwerkt.
Qua prijsstelling is gewerkt met een realistische inschatting van een gemiddelde prijs voor
een armatuur c.q. mast.
Het bovenstaande heeft geleid tot de conclusie dat het voorgestelde ambitieniveau m.b.t.
de aanbevelingen met de huidige budgetten haalbaar is mits de aanbevelingen ook breed
worden gedragen door de stadsdelen, overgenomen in de plannen en in de praktijk buiten
op straat worden gerealiseerd.
Uitgaande van de huidige afschrijvingstermijnen van de diverse soorten materialen is met
de vervanging van het areaal verlichtingsobjecten door dezelfde typen masten en
armaturen (‘1-op-1’) qua materiaalkosten jaarlijks een bedrag gemoeid van gemiddeld €
3.8 miljoen. Ingeval van omzetting conform de typen volgens de Aanbeveling bedragen de
vervangingskosten gemiddeld € 4.3 miljoen.
De dekking van deze hogere kosten wordt gevonden in de mogelijkheid tot een efficiënter
en grootschaliger inkoop. Wordt nu nog ongeveer de helft van de aan te schaffen
materialen via projectspecifieke inkooptrajecten gedaan, in de toekomst zal dit naar
verwachting tot 10% van de projecten kunnen worden beperkt. Dat betekent onder andere
minder aanbestedingen en meer gebruik kunnen maken van kwantumkortingen door
grotere aantallen. Daarnaast zullen op termijn de kosten van beheer en onderhoud
worden teruggebracht. De verwachting is dat hiermee de kosten van het verhoogde
ambitieniveau kunnen worden opgevangen.
In bijlage 5 is vermeld van welke aanschaf- en afschrijvingskosten per type mast en
armatuur voor wat betreft de aanbevolen standaard wordt uitgegaan.
Volledigheidshalve zij ook hier vermeld dat wanneer afgeweken wordt van de Aanbeveling
de eventuele meerkosten qua investering en/of beheer & onderhoud ten opzichte van
hetgeen waar men volgens het basiskwaliteitsniveau recht op heeft, in rekening worden
gebracht bij de aanvrager/initiatiefnemer; meestal het stadsdeel.
Samenvatting
Voor de financiering van beheer en onderhoud, nieuwbouw, vervanging en profielwijziging
openbare verlichting zijn diverse budgetten beschikbaar. Het basiskwaliteitsniveau
openbare verlichting - en dan met name de “aanbeveling standaarden masten en
armaturen” - is doorgerekend op zijn financiële consequenties. Uitkomst is dat met de
huidige beschikbare budgetten het in het beleidsplan voorgestelde ambitieniveau - binnen
de kaders van o.a. schaal en samenwerking - gerealiseerd kan worden. Dat betekent dat
bij eventuele budgetverlagingen het voorzieningenniveau verlaagd zal worden.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
52

Afkortingen

Afkortingen
AEB
Afval Energie Bedrijf Amsterdam
AEEA
Afval van elektrische en elektronische apparatuur
ATS
Aansluitingen, Transport- en Systeemdiensten
EBA
N.V. Energiebedrijf Amsterdam
BACA
Besluit Aanwijzing Chemische Afvalstoffen
BAGA
Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afvalstoffen
COCUWO
Coördinatie Commissie Uitvoering Werken in de Openbare ruimte
DTe
Directie Toezicht energie
EBA
Energiebedrijf Amsterdam
ENW
Energie Noord West
EURAL
Besluit Europese Afvallijst
GEB
Gemeente Energiebedrijf Amsterdam
HOI
Handboek Ondergrondse Infrastructuur
ISO
International Organization for Standardization
ISU
Intelligente Schakel Units
NMa
Nederlandse Mededingingsautoriteit,
NEN
Nederlands Normalisatie-instituut
NPR
Nederlandse Praktijk Richtlijn
NSVV
Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde
OGA
Ontwikkelingsbedrijf Gemeente Amsterdam
OVL
Openbare verlichting
PBB’s
Polybroombifenylen
PBDE’s
Polybroomdefenylethers
PROCUWO
Project Cocuwo
VSA
Voorschakelapparatuur

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
53

Bijlage 1 Verlichtingsniveau:

Bijlage 1 Verlichtingsniveau:

verlichtingssterkte & luminantie

verlichtingssterkte & luminantie
In deze bijlage wordt een uitleg gegeven van de onder de noemer verlichtingsniveau
gehanteerde begrippen verlichtingssterkte & luminantie:
Verlichtingssterkte
Als een lichtbron boven een oppervlak wordt gehangen, zal maar een deel van de door de
lichtbron uitgestraalde lichtstroom op dit oppervlak terechtkomen. Dit deel wordt de
verlichtingssterkte genoemd. Deze wordt uitgedrukt in de hoeveelheid licht die per
vierkante meter op een vlak valt: 1 lux = 1 lumen per m².
In verblijfsgebieden en op de (brom)fietspaden ligt het accent op de openbare orde, de
sociale veiligheid, het tegengaan van vandalisme en inbraak en de beleving van de
openbare ruimte. De kwaliteit van de verlichting voor genoemde locaties wordt vooral
gebaseerd op het begrip verlichtingssterkte. Het gaat hier om de verlichting van de gehele
omgeving, van trottoirbanden, tuinhekken, geparkeerde auto’s, obstakels,
verkeersdrempels, naamborden enzovoort.
De verlichtingssterkte bestaat uit twee componenten:
1 De horizontale verlichtingssterkte: dit is de verlichtingssterkte die bepalend is voor de
zichtbaarheid van het straat/wegoppervlak (= horizontaal).
2 De verticale verlichtingssterkte: deze is bepalend voor de herkenbaarheid van
verticale elementen als gevels, naamborden, grotere obstakels op de weg, het gelaat
van personen.
Het meten van de verlichtingssterkte is afhankelijk van de afstand tussen de lichtbron en
bijvoorbeeld het wegdek en staat los van de positie van de waarnemer. In de NPR zijn
voor het doen van metingen eisen opgesteld.
Luminantie
Als licht op een oppervlak valt, zal een deel van het licht door dit oppervlak worden
weerkaatst. Dit gereflecteerde licht wordt luminantie genoemd. De hoeveelheid licht die
gereflecteerd wordt, is afhankelijk van de sterkte van het licht op het oppervlak, de grootte
en de helderheid van dat oppervlak en de lichtinvalshoek van de waarnemer. De eenheid
van luminantie wordt uitgedrukt in de hoeveelheid candela per m².
De functie van openbare verlichting in verkeersgebieden is primair het verbeteren van de
verkeersafwikkeling en het bevorderen van de verkeersveiligheid.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
54
Zowel de verlichtingssterkte als de luminantie geven een indruk van het
verlichtingsniveau. Aangezien voor het bepalen van de luminantie de positie (en de
kijkrichting) van de waarnemer precies bekend moeten zijn, wordt deze grootheid beperkt
tot verkeersgebieden.
Gelijkmatigheid
Gelijkmatigheid van de verlichting van de openbare ruimte (geen donkere vlekken) is
haast belangrijker dan de grootte van luminantie en de verlichtingssterkte. Het oog
adapteert naar de gemiddelde lichtsterkte van het zichtveld. Van donker naar licht past
het oog snel aan, van licht naar donker heel langzaam (ongeveer twintig minuten voor het
oog geheel aangepast is). De overgang van weggedeelten met een hoge
verlichtingssterkte naar weggedeelten met een relatief lage verlichtingssterkte moet
daarom geleidelijk verlopen.
Onze ogen wennen na een bepaalde tijd aan het lichtniveau van de omgeving. Als de
ogen eenmaal goed zijn ingesteld kunnen wij bij lage lichtniveaus meer herkennen dan bij
wisselende hogere niveaus.
Naarmate de gelijkmatigheid groter wordt, is de kwaliteit van de verlichting groter.
Een goede opstelling van de armaturen levert een gelijkmatig straat- en wegbeeld op. Een
goede gelijkmatigheid geeft een rustig beeld van de weg voor de rijdende automobilist en
verhoogt de zichtbaarheid van voorwerpen en andere weggebruikers.
De mate van gelijkmatigheid wordt uitgedrukt in de verhouding tussen de laagste en de
hoogste waarde van de luminantie.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
55

Bijlage 2 Aanbeveling NSVV / NPR

Bijlage 2 Aanbeveling NSVV / NPR

13201-1

13201-1
NPR 13201-1
De NPR 13201-1 richt zich op het verlichtingsniveau van de openbare verlichting en doet
dit op basis van de functies en de kenmerken van de openbare ruimte. Daarbij wordt
onderscheid gemaakt tussen verkeerswegen en verblijfsgebieden.
Bij verkeerswegen, waar de verkeersveiligheid centraal staat, wordt vooral naar de
verlichting van de rijbaan gekeken. Bij verblijfsgebieden, waar de sociale veiligheid een
belangrijke rol speelt, naar de gehele openbare ruimte.
De NSVV hanteert een systeem van zogenaamde determineertabellen, waarin aan de
hand van een aantal objectief vast te stellen kenmerken van een locatie bepaald wordt
welke verlichting wordt aanbevolen.
De belangrijkste determinanten of hoofdkenmerken zijn:
bebouwing (binnen of buiten de bebouwde kom);
functie van de weg (verkeers- of verblijfsfunctie);
infrastructuur (aantal rijbanen);
verkeer (samenstelling);
verkeersintensiteit of drukte;
moeilijkheidsgraad.
Specifiek voor de verblijfsgebieden komen daarbij:
veiligheid;
verlichtingsniveau van de omgeving.
In tabellen staan voor de diverse combinatiemogelijkheden aanbevolen
verlichtingsklassen, voor verkeersgebieden aangegeven in de luminantie en voor
verblijfsgebieden in de verlichtingssterkte (zie ook bjilage 1).
Voorbeeld
Als voorbeeld van de toepassing van de NSVV-systematiek de volgende reeks:
'Gebieden binnen de bebouwde kom met in hoofdzaak een verblijfsfunctie':
Winkelgebied
?
bewoond
?
voetgangersgebied/ erf
?
openbare veiligheid normaal
?
verlichtingsniveau omgeving laag
?
drukte gering
Leidt tot aanbevolen verlichtingsklasse: 5 lux en een gelijkmatigheid groter dan of gelijk
aan 0,2.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
56
Met meetapparatuur kan bepaald worden of de berekende hoeveelheid licht gehaald
wordt. Als dit niet het geval is kan door een sterkere lamp of door het verplaatsen of
bijplaatsen van een lantaarn het verlichtingsniveau verhoogd worden.
De toepassing van de NPR 13201-1 leidt qua lichtniveau per onderdeel van de openbare
ruimte tot de volgende normering. Dit is overigens geen vrijbrief voor een ‘papieren’
vaststelling van de toe te passen waardes: in de praktijk moeten per project de feitelijke
waardes worden vastgesteld.
Hoofdnet Auto en andere wegen (
?
50 km/uur)
Hoofdwegen hebben een hoge verkeersintensiteit van meer dan 7.500 motorvoertuigen
per etmaal. De luminantie is 1,5 cd/m² en de gelijkmatigheid 0,4 (NSVV-klasse 2A). Bij
een normale verkeersintensiteit zijn deze getallen 1,0 cd/m², respectievelijk 0,4 (klasse
3B). Als er geen fietsers op de rijbaan voorkomen kan dit, bij een normale
verkeersintensiteit, dalen naar 0,7 cd/m² en 0,4 (klasse 4B).
Wijkontsluitingswegen
Wijkontsluitingswegen kennen een hoge verkeersintensiteit bij meer dan 5.000
motorvoertuigen per etmaal. De luminantie is 1,0 cd/m² en de gelijkmatigheid 0,4 (NSVV-
klasse 2A). Bij een lagere verkeersintensiteit wordt dit 0,7 cd/m² en 0,3 (klasse 4C).
Zonder fietsers op de rijbaan kan 0,5 cd/m² en 0,3 (klasse 5C) aangehouden worden.
Fietspaden
Langs een verkeersweg geeft de hoofdverlichting meestal voldoende licht voor het
fietspad (e.e.a. is afhankelijk van de locatie van het fietspad ten opzichte van de
verkeersweg). Bij normaal te verlichten fietspaden gaat de keuze tussen goed verlichten
(3 lux, gelijkmatigheid 0,15, NSVV-klasse 16M) of een iets hoger niveau (7 lux, 0,3, klasse
14K). Het hogere niveau wordt aanbevolen voor zelfstandige fietspaden buiten
verblijfsgebieden.
Tunnels, onderdoorgangen en viaducten
De aanbevelingen van de NSVV besteden geen afzonderlijke aandacht aan tunnels,
onderdoorgangen en viaducten, maar het Politiekeurmerk wel. Wat hier overdag speelt, is
de overgang van het felle daglicht naar een relatief donkere ruimte. Daardoor is het nodig
om het verlichtingsniveau in de tunnel, de onderdoorgang en de viaduct hoger te maken.
Het Politiekeurmerk beveelt een horizontale verlichtingssterkte van 15 lux aan, met een
gelijkmatigheid van 0,3 (NSVV-klasse 12K).
Parkeerterreinen
Voor parkeerterreinen wordt een horizontale verlichtingssterkte van 5 lux en een
gelijkmatigheid van 0,3 aanbevolen (NSVV-klasse 15K).
Bedrijvengebieden
Voor bedrijvengebieden is het aanbevolen verlichtingsniveau een horizontale
verlichtingssterkte van 3 lux bij een gelijkmatigheid van 0,3 (NSVV-klasse 16K). Bij een
onveilige situatie kan de sterkte omhoog naar 5 of 7 lux, terwijl de gelijkmatigheid
hetzelfde blijft (klasse 15K of 16K).

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
57
Woongebieden
Voor woonstraten wordt in zijn algemeenheid een verlichtingssterkte van 3 lux en een
gelijkmatigheid van 0,2 aangehouden (NSVV-klasse 16L). In onveilig geachte gebieden
kan dit oplopen tot 5 of 7 lux, bij een gelijkmatigheid van 0,3 (klasse 15K of 14K). Voor de
Amsterdamse situatie moet bij de laatstgenoemde waardes worden aangesloten.
Winkelgebieden
In winkelgebieden geldt een verlichtingssterkte van 5 lux, bij een gelijkmatigheid van 0,2
(NSVV-klasse 15L). Als het winkelgebied niet tevens bewoond wordt kan gekozen worden
voor 3 lux en 0,2 (klasse 16L). Voor de Amsterdamse situatie – waar vaak ook sprake is
van horeca en uitgaansleven – wordt aanbevolen in het kader van de veiligheid uit te
gaan van 7,5 of 15 lux.
Openbare parken
Voorkomen moet worden dat openbare verlichting in parken schijnveiligheid suggereert.
Voorgesteld wordt ook vanwege dieren en planten terughoudend met openbare verlichting
in parken om te gaan. Als er toch verlichting toegepast wordt, dan beperkt zich dat tot het
Hoofdnet Fiets met een minimale verlichtingssterkte van 3 lux en een gelijkmatigheid van
0,2 (klasse 16L).
Buitengebied
Ook het buitengebied zal in de regel niet in zijn geheel verlicht zijn. Bij ingewikkelde of
minder veilige situaties kan oriëntatieverlichting toegepast worden met een
verlichtingssterkte van 3 lux en een gelijkmatigheid van 0,2 (klasse 16L).
Groen
Bomen hebben ruimte nodig om te kunnen groeien, om licht op te kunnen vangen.
Lichtmasten hebben ruimte nodig om hun licht onbelemmerd op de wegen uit te kunnen
stralen.
Lichtmasten worden altijd en bomen meestal langs de kant van de weg geplaatst. Het
gevolg is dat met het groter worden van de bomen steeds meer licht in het groen verdwijnt
en niet meer op de weg terechtkomt.
Overwogen kan worden om de opsnoeihoogte van bomen vast te leggen teneinde
genoemde problemen te voorkomen. Hierover zal in concrete situaties afstemming met
het betreffende stadsdeel moeten plaatsvinden. Dit geldt ook bij een profielwijziging of bij
nieuwbouw.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
58

Bijlage 3 Normering lichtkleur

Bijlage 3 Normering lichtkleur
Er is een variatie aan lichtkleuren. Dit varieert van oranje/geel tot koel wit. De lichtkleur
wordt aangeduid in Kelvin (K). 2000 K staat voor oranje/geel; tot ca 4000 K is sprake van
warmwit tot neutraal wit; hierboven is sprake van koel wit licht.
Het is mogelijk om de lichtkleur te relateren aan de functie van de openbare ruimte. Een
en ander is gekoppeld aan factoren als sociale veiligheid, verkeersveiligheid, het al dan
niet noodzakelijk c.q. wenselijk zijn van een hoge mate van kleurherkenning en tenslotte
spelen ook factoren mee als de gewenste beleving van de openbare ruimte (‘sfeer’).
Voorgesteld wordt om tot een driedeling te komen:
Woon- en verblijfsgebieden
In deze gebieden spelen sociale veiligheid en sfeer een grote rol. Kleurherkenning is van
groot belang. Juist omdat in deze gebieden het verlichtingsniveau relatief laag is, wordt
gekozen voor lichtbronnen met een warmwitte lichtkleur en een goede kleurweergave. De
overgang van het oranje/gele licht naar dit wittere licht – in het kader van vervanging van
lampen - vraagt gezien de overgang die wordt ervaren om gedegen voorbereiding en
goede communicatie met alle betrokkenen (met name bewoners). De kleurtemperatuur
kan variëren van 2700 tot 3300 K. Hierdoor is het mogelijk in te spelen op de wensen die
de diverse partijen (o.m. het stadsdeel) hebben.
Bedrijvengebieden
In deze gebieden kan de sociale veiligheid belangrijk zijn, maar ook de verkeersveiligheid.
In het algemeen kan voor de ontsluitingswegen en de grotere wegen vanwege de
verkeersveiligheid gekozen worden voor geel licht met een kleurweergave van 20 RA en
een lichtkleur van ca 2500 K. Voor de kleinere straten met een beperkte snelheid zal de
voorkeur zijn voor wit licht met een lichtkleur van tussen de 3300 en de 5000 K.
Hoofdnet Auto en andere wegen (
?
50 km/uur)
Bij de wegen vallend onder Hoofdnet Auto en andere wegen met snelheden van 50
km/uur of meer is de lichtkleur van ondergeschikt belang. Belangrijk is de
verkeersveiligheid met een relatief hoog verlichtingsniveau.
De wegen die vallen onder het Hoofdnet Auto worden verlicht met een gele lichtkleur van
ca 2000K (natrium hogedruklamp). Deze kleur draagt bij aan de herkenbaarheid van het
Hoofdnet Auto. De voldoende kleurweergave maakt deze lichtbron geschikt voor gebruik
in de stad.
Ten aanzien van de overige wegen met grotere snelheden (
?
50 km/uur) geldt de norm
zoals bij woon- en verblijfsgebieden.
Fietspaden/voetgangersgebieden
De eventueel aanwezig zijnde afzonderlijke voetgangers- en fietsersgebieden langs het
Hoofdnet Auto en de overige wegen (
?
50 km/uur) dienen wél van wit licht te worden
voorzien. Hierbij geldt de norm zoals bij woon- en verblijfsgebieden.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
59
Tunnels, onderdoorgangen en viaducten
Voor tunnels, onderdoorgangen en viaducten die onderdeel uitmaken van Hoofdnet Auto
wordt voor wat betreft de lichtkleur gekozen voor geel (ca 2000K). Voor alle overige
tunnels, onderdoorgangen en viaducten wordt een warmwitte lichtkleur toegepast.
Cameratoezicht
Toezicht op de openbare ruimte door middel van camera’s is in opkomst. Wit licht in de
openbare verlichting is noodzakelijk voor een zo goed mogelijke registratie door camera’s.

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
60

Bijlage 4 Documentatie

Bijlage 4 Documentatie
Amsterdam
Gemeente Amsterdam, ‘Verzelfstandiging Gemeente-energiebedrijf’, Gemeenteblad
afdeling 1, nr. 644, oktober 1994
idem, ‘Overeenkomst openbare verlichting, tijdaanwijzing en stadsilluminatie’, (1994)
idem, ‘Overname activa met betrekking tot de openbare verlichting’, Gemeenteblad
afdeling 1, nr. 295, mei 1998
idem, ‘Overeenkomst koop en overdracht activa openbare verlichting’, z.j. (1998)
dienst Binnenstad, ‘Ruimte voor kwaliteit. Beleidsplan kwaliteit openbare ruimte
binnenstad Amsterdam’, augustus 1997
idem, ‘Handboek Openbare Ruimte voor de Binnenstad van Amsterdam’, 1999
Energie Noord West, ‘Beleidsplan Openbare Verlichting NV Energiebedrijf Amsterdam
1995 – 2000’, juni 1995
idem, ‘OV Belicht. Nieuwsbrief van de businessunit Openbare Verlichting’, maart 1996
idem, ‘Productenboek Openbare Verlichting. Standaardmateriaal’, september 1998
idem, ‘Jaarplan 1999’
NV Energiebedrijf Amsterdam, ‘Waar licht is, is vreugde. Een eeuw gemeentelijke
energievoorziening in Amsterdam’, 1995
Gemeente-energiebedrijf Amsterdam, maandblad ‘De Koppeling’, december 1979
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer, 'Contract operationeel beheer, correctief
onderhoud en kleine projecten openbare verlichting Amsterdam', januari 2002
Bureau Monumentenzorg en Archeologie, Dick van der Horst, ‘De Amsterdamse
Stadsverlichting I. De periode tot 1883’, mei 1985
idem, ‘De Amsterdamse Stadsverlichting II. De periode 1883 – 1930’, juli 1985
idem, ‘De openbare verlichting binnen de Amsterdamse Singelgracht’, oktober 2000
idem, ‘Een zee van licht’, Martin Pruijs, in ‘Monumenten & Archeologie 2’, 2003
Commissie voor Welstand en Monumenten, ‘De Schoonheid van Amsterdam. Een kader
voor het welstandsbeleid 1999’, juni 1999
idem, ‘Kadernota voor de welstandsbeoordeling in Amsterdam’, februari 2004
Kasper van Ommen, ‘Straatmeubilair Amsterdamse School 1911 – 1940’, Amsterdam,
1992
Tijdschrift ‘Ons Amsterdam’, jubileumnummer GEB (1953), april 1964, november 1965,
maart 1966, januari 1968, juli 1971, juli 1976, mei 1983, mei 1984, februari 1986, oktober
1987, oktober 2005
Stadsdeel Oud-West, ‘Beleidsplan openbare ruimte Oud-West’, maart 1994
Bureau P/A, ‘Advies over de organisatie van de openbare verlichting in Amsterdam’,
januari 2001
Amsterdams Kroonlantaarn Comité, website ‘De kroonlantaarn terug in Amsterdam’
Walther Schoonenberg, ‘Historische straatlantaarns in de binnenstad van Amsterdam’, juli
2000
Bureau Stadsvormgeving Binnenstad Amsterdam, ‘De openbare verlichting in de
binnenstad van Amsterdam. Deel Historische lantaarns’, april 2001
Temid Raadgevende Ingenieurs, ‘Grachtenverlichting Amsterdam. Proeven met
grachtenlantaarns aan de Prinsengracht ter hoogte van de Leidsegracht, juni 2001

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
61
Trafilux, ‘1e fase beleidsplan openbare verlichting gemeente Amsterdam’, december 1999
idem, ‘Aanbieding Exploitatie Openbare Verlichting’, maart 2000
idem, ‘Aanbieding Projectmatig Werk Openbare Verlichting’, april 2000
Hans Wolff, 'Notitie lantaarntypologieën’, Amsterdam, oktober 2001
G.P. Zahn jr., ‘De geschiedenis der verlichting van Amsterdam’, Amsterdam, 1911
Stadsdeel Zeeburg, ‘Beleidsplan voor de openbare ruimte’, 1993
Andere gemeenten
Gemeente Almere, 'Beheerplan openbare verlichting', januari 1998
Gemeente Amersfoort, ‘Evaluatienota Verlicht Amersfoort’, februari 2001
Gemeente Breda, ‘Verlichtingsplan 2000 – 2004. In het licht van leefbaarheid en
veiligheid’, maart 1999
Gemeente Delft, ‘Licht op Delft’, september 1997
Gemeente Dordrecht, ‘Beleids- en beheernota openbare verlichting Dordrecht 2004-
2013’, november 2003
Gemeente Den Haag, ‘Op straat gezet. Het straatmeubilair in Den Haag’, 1997
idem, ‘Haags handboek voor het inrichten van de openbare ruimte. Straatmeubilair’,
februari 2001
Gemeente Deventer, ‘Verlichtingsstructuurplan’, mei 1991
Gemeente Enschede, ‘Het openbaar verlichtingsplan’, september 1994
Gemeente Leeuwarden, ‘Beleidsplan openbare verlichting’, september 1995
Gemeente Oosterhout, ‘Nota Openbare Verlichting Oosterhout’, 1990
Hans Pars, ‘Bij Haags licht. Straatlantaarns en Den Haag al eeuwen samen’, 1998
Gemeente Rotterdam, ‘Algemeen convenant tussen de gemeente Rotterdam en NV GEB
Rotterdam’, oktober 1992
idem, ‘Exploitatieovereenkomst openbare verlichting’, december 1994
idem, ‘Notitie raamovereenkomst openbare verlichting’, augustus 2000
idem, ‘Raamovereenkomst op het gebied van beheer openbare verlichting tussen de
gemeente Rotterdam en CityTec BV’, mei 2001
Gemeente Utrecht, ‘Licht in de binnenstad’ deel I (1980), deel II (1982) en deel III (1993)
idem, ‘Beleidsplan openbare verlichting’, z.j. (1994)
Overige documentatie
Tijdschrift ‘Licht’,
Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 'Handboek Politiekeurmerk Veilig
Wonen; bestaande bouw resp. nieuwbouw', januari resp. juni 2005
Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV), ‘Aanbevelingen voor openbare
verlichting. Deel I. Kwaliteitscriteria en aanbevolen waarden’, Arnhem, februari 1990
idem, ‘Deel 2. Meten en toetsen’, Arnhem, maart 1993
idem, Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 13201-1 Openbare verlichting - Deel 1:
kwaliteitscriteria, mei 2002
NOVEM, ‘Beleidsplan openbare verlichting’, z.j.
D.A. Schreuder, ‘Openbare verlichting voor verkeer en veiligheid’, Kluwer, 1996
Tijdschrift ‘Straatbeeld’, juni 1990, november 1990, juni 1991, juni 1992, augustus 1997,
februari 2000
Ing. E.A. Janze, afstudeeropdracht met als titel: “Het in eigen beheer nemen en opzetten
van de openbare verlichting binnen de gemeentelijke organisatie”, 24 januari 2003

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
62

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
63

Bijlage 5 Aanschaf- en

Bijlage 5 Aanschaf- en

afschrijvingskosten standaarden

afschrijvingskosten standaarden
In deze bijlage is vermeld wat de aanschafkosten per type mast en armatuur zijn. Het
betreft standaardtypen uit de Aanbeveling op basis van de huidige inkoopmethodiek! Het
gaat hier om indicatieve bedragen waar “geen rechten aan kunnen worden ontleend”.
Immers, prijzen kunnen sterk variëren - met name staal -, kosten hangen af van aantallen,
marktsituatie, specifieke omstandigheden etc. en gelden per 1januari 2005 (ex. BTW). De
voordelen vanuit de gewijzigde inkoop zijn hier nog niet in verdisconteerd.
Standaard masten:
Lph Type
Prijs
m
Euro
4 Paal 1883
865, --
Paal 1924 (N.A.P.)
660, --
4/5 Conisch
120, --
10 Apollo
2.050, --
‘NPK’
2.200, --
Conisch
450, --
Standaard armaturen:
Lph Type
Prijs
m
Euro
4 Gedecoreerde klassieke lantaarn
500, --
Holbein
160, --
Friso Kramer
150, --
10 ‘Jarnkonst’
250, --
Armatuur behorende bij ‘NPK’
512, --
Armatuur behorende bij conische
mast
250, --
Standaard overspanningsarmaturen:
Type
Prijs
Euro
‘Jarnkonst’
250, --
Traditioneel hangarmatuur
500, --
Bedragen zijn exclusief BTW en gebaseerd op prijspeil januari 2005. Jaarlijks vindt
indexatie op basis van het prijsindexcijfer plaats

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
64

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
65

Bijlage 6 Aanbeveling standaardtypen

Bijlage 6 Aanbeveling standaardtypen

masten en armaturen

masten en armaturen
De Aanbeveling standaardtypen masten en armaturen is een separaat document en
bestaat uit de volgende documenten/kaarten:
1. Kaart Ruimtelijke systemen;
2. Overzicht aanbevolen typen lage en hoge masten met armaturen en
overspanningsverlichting
3. Kaart Lage masten tot en met 5 meter
4. kaart Hoge masten 8 tot 10 meter
5. Omschrijving ruimtelijke systemen plus aanbeveling masten/armaturen

Gemeente Amsterdam
Dienst Infrastructuur Verkeer en Vervoer
Beleidsplan openbare verlichting 2005 - 2015
Concept
Versie 1.0
28 september 2005
66
3 Het aantal typen lampen staat los van het aantal fabrikanten dat deze lampen produceert.
4 Watt is de eenheid voor het vermogen van de lamp en wordt bepaald door de opgenomen stroom en de
aangelegde spanning.
5 Gegevens mei 2004
6 Gegevens januari 2005
7 De gemeentelijke “Kadernota voor de welstandsbeoordeling in Amsterdam” is een bewerking van “De
Schoonheid van Amsterdam. Een kader voor het welstandsbeleid 1999”, een uitgave van de Commissie voor
Welstand en Monumenten en de Stedelijke Woningdienst Amsterdam, juni 1999, ISBN 90 5097 015.
8 Motie raadslid L. Spee inzake openbare verlichting op zonnecollectoren (motie d.d. 16 juni 2004) waarin het
College van B&W wordt verzocht om met stadsdelen in gesprek te gaan om bij vervanging van bestaande
armaturen in stadsparken deze aan te sluiten op zonnecollectoren.
9 BACA: Besluit Aanwijzing Chemische Afvalstoffen; BAGA: Besluit Aanwijzing Gevaarlijke Afstoffen